Boek 3. Vermogensrecht in
het algemeen
Titel 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Goederen zijn alle zaken en alle
vermogensrechten.
Artikel 2
Zaken zijn de voor menselijke beheersing
vatbare stoffelijke objecten.
Artikel 3
1.
Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen,
de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen
en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij
rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of
werken.
2.
Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.
Artikel 4
1. Al
hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak
uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.
2. Een
zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij
daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging
van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt
bestanddeel van de hoofdzaak.
Artikel 5
Inboedel is het geheel van tot huisraad en
tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende
zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van
voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
Artikel 6
Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij
tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe
strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen,
ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het
vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.
Artikel 7
Een afhankelijk recht is een recht dat aan
een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat
andere recht kan bestaan.
Artikel 8
Een beperkt recht is een recht dat is
afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte
recht is bezwaard.
Artikel 9
1.
Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens
verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden
aangemerkt.
2.
Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens
verkeersopvatting als vruchten van goederen worden
aangemerkt.
3. De
afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als
vruchten van het recht op de lijfrente.
4. Een
natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar
afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht
door haar opeisbaar worden.
Artikel 10
Registergoederen zijn goederen voor welker
overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is.
Artikel 11
Goede trouw van een persoon, vereist voor
enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten
of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben,
kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden
behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat
degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als
iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.
Artikel 12
Bij de vaststelling van wat redelijkheid
en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen
erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende
rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke
belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.
Artikel 13
1.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet
inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2. Een
bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te
oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met
een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men,
in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang
bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad,
naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. Uit
de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet
kan worden misbruikt.
Artikel 14
Een bevoegdheid die iemand krachtens het
burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd
met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.
Artikel 15
De artikelen 11-14 vinden buiten het
vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Afdeling 1A. Elektronisch
vermogensrechtelijk rechtsverkeer
Artikel 15a
1. Een
elektronische handtekening heeft dezelfde rechtsgevolgen als
een handgeschreven handtekening, indien de methode die
daarbij is gebruikt voor authentificatie voldoende
betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische
gegevens werden gebruikt en op alle overige omstandigheden
van het geval.
2. Een
in lid 1 bedoelde methode wordt vermoed voldoende
betrouwbaar te zijn, indien een elektronische handtekening
voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is op unieke wijze aan de
ondertekenaar verbonden;
b. zij maakt het mogelijk de
ondertekenaar te identificeren;
c. zij komt tot stand met middelen
die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle
kan houden; en
d. zij is op zodanige wijze aan
het elektronisch bestand waarop zij betrekking heeft
verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens
kan worden opgespoord;
e. zij is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet; en
f. zij is gegenereerd door een
veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv,
van de Telecommunicatiewet.
3. Een
in lid 1 bedoelde methode kan niet als onvoldoende
betrouwbaar worden aangemerkt op de enkele grond dat deze:
- niet is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet;
- niet is gebaseerd op een door
een certificatiedienstverlener als bedoeld in artikel
18.16, eerste lid, Telecommunicatiewet afgegeven
certificaat; of
- niet met een veilig middel voor
het aanmaken van elektronische handtekeningen is
aangemaakt als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv, van
de Telecommunicatiewet.
4. Onder
elektronische handtekening wordt een handtekening verstaan
die bestaat uit elektronische gegevens die zijn vastgehecht
aan of logisch geassocieerd zijn met andere elektronische
gegevens en die worden gebruikt als middel voor
authentificatie.
5. Onder
ondertekenaar wordt degene verstaan die een middel voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel uu, van de Telecommunicatiewet
gebruikt.
6.
Tussen partijen kan van lid 2 en 3 worden afgeweken.
Artikel 15b
Een gekwalificeerd certificaat als bedoeld
in artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet,
afgegeven aan het publiek door een certificatiedienstverlener
gevestigd in een derde land, heeft dezelfde geldigheid als een
gekwalificeerd certificaat afgegeven door een in de Europese
Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
gevestigde certificatiedienstverlener, indien:
a. de certificatiedienstverlener
voldoet aan de in richtlijn nr. 99/93/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999
betreffende een gemeenschappelijk kader voor
elektronische handtekeningen (PbEG L 13) gestelde eisen
en beschikt over een in het kader van een in een
lidstaat van de Europese Gemeenschap Gemeenschap dan wel
een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
afgegeven bewijs van toetsing als bedoeld in artikel
18.16, eerste lid Telecommunicatiewet, dan wel
b. een in de Europese Gemeenschap
of een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
gevestigde certificatiedienstverlener die voldoet aan de
eisen van richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende
een gemeenschappelijk kader voor elektronische
handtekeningen (PbEG L 13) voor dat certificaat instaat,
dan wel
c. het certificaat of de
certificatiedienstverlener is erkend in het kader van
een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap dan wel een van de overige staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte en derde landen of
internationale organisaties.
Artikel 15c
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze afdeling overeenkomstige toepassing, voor
zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking
zich daartegen niet verzet.
Artikel 15d
1.
Degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent,
maakt de volgende gegevens gemakkelijk, rechtstreeks en
permanent toegankelijk voor degenen die gebruik maken van
deze dienst, in het bijzonder om informatie te verkrijgen of
toegankelijk te maken:
a. zijn identiteit en adres van
vestiging;
b. gegevens die een snel contact
en een rechtstreekse en effectieve communicatie met hem
mogelijk maken, met inbegrip van zijn elektronische
postadres;
c. voor zover hij in een
handelsregister of een vergelijkbaar openbaar register
is ingeschreven: het register waar hij is ingeschreven
en zijn inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel
ter identificatie in dat register;
d. voor zover een activiteit aan
een vergunningsstelsel is onderworpen: de gegevens over
de bevoegde toezichthoudende autoriteit;
e. voor zover hij een
gereglementeerd beroep uitoefent:
– de beroepsvereniging of -organisatie
waarbij hij is ingeschreven,
– de beroepstitel en de
lidstaat van de Europese Unie of andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte waar die is toegekend,
– een verwijzing naar de
beroepsregels die in Nederland van toepassing zijn
en de wijze van toegang daartoe;
f. voor zover hij een aan de BTW
onderworpen activiteit uitoefent: het btw-identificatienummer
zoals bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onder g, van de
Wet op de Omzetbelasting 1968.
2. De
dienstverlener geeft aanduidingen van prijzen in een dienst
van de informatiemaatschappij duidelijk en ondubbelzinnig
aan, met de uitdrukkelijke vermelding of, en zo mogelijk
welke, belasting en leveringskosten daarbij inbegrepen zijn.
3. Onder
dienst van de informatiemaatschappij wordt verstaan elke
dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische
weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van
de dienst wordt verricht zonder dat partijen gelijktijdig op
dezelfde plaats aanwezig zijn. Een dienst wordt langs
elektronische weg verricht indien deze geheel per draad, per
radio, of door middel van optische of andere
elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en
ontvangen met behulp van elektronische apparatuur voor de
verwerking, met inbegrip van digitale compressie, en de
opslag van gegevens.
Artikel 15e
1.
Indien commerciële communicatie deel uitmaakt van een dienst
van de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt,
zorgt degene in wiens opdracht de commerciële communicatie
geschiedt dat:
a. de commerciële communicatie
duidelijk als zodanig herkenbaar is;
b. de commerciële communicatie
zijn identiteit vermeldt;
c. de commerciële communicatie,
indien deze verkoopbevorderende aanbiedingen,
wedstrijden of spelen omvat, een duidelijke en
ondubbelzinnige vermelding bevat van de aard en de
voorwaarden van de aanbieding of de deelneming;
d. ongevraagde commerciële
communicatie door middel van elektronische post reeds
bij de ontvangst duidelijk en ondubbelzinnig als zodanig
herkenbaar is.
2. [vervallen.]
3. Onder
commerciële communicatie als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan elke vorm van communicatie bestemd voor het
aanprijzen van de goederen, diensten of het imago van een
onderneming, instelling of persoon die een commerciële,
industriële of ambachtelijke activiteit of een
gereglementeerd beroep uitoefent, met uitzondering van
informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit
van de onderneming, instelling of persoon, in het bijzonder
een domeinnaam of een elektronisch postadres. Mededelingen
over goederen of diensten of het imago van een onderneming,
instelling of persoon die onafhankelijk van deze en in het
bijzonder zonder financiële tegenprestatie zijn samengesteld,
zijn geen commerciële communicatie.
Artikel 15f
1.
Degenen die diensten van de informatiemaatschappij verlenen
of gebruiken kunnen zich richten tot een door Onze Minister
van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken aan te wijzen rechtspersoon teneinde:
a. algemene informatie te
verkrijgen over hun contractuele rechten en plichten
alsmede over klachtenprocedures en rechtsmiddelen in het
geval van een geschil;
b. nadere gegevens te verkrijgen
over de autoriteiten of organisaties waar zij nadere
informatie of praktische bijstand kunnen krijgen.
2. De
rechtspersoon, bedoeld in lid 1, werkt bij de uitoefening
van zijn taken samen met de overeenkomstige organisaties in
andere lidstaten van de Europese Unie en de overige staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte.
3. De
controleurs van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst – Economische Controle Dienst (Belastingdienst/FIOD-ECD)
worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing
van overtredingen van de voorschriften gesteld bij de
artikelen 15d en 15e lid 1.
Afdeling 1B. Het voeren van een
administratie
Artikel 15i
1. Een
ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent,
is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles
betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat
bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te
voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen
tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2. De
leden 2 tot en met 4 van artikel 10 van Boek 2 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15j
Openlegging van tot een administratie
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen,
voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang
hebben, vorderen:
a. erfgenamen, ten aanzien van de
boekhouding van de erflater;
b. deelgenoten in een gemeenschap,
ten aanzien van de boekhouding betreffende de
gemeenschap;
c. vennoten, ten aanzien van de
boekhouding van de vennootschap;
d. schuldeisers in het geval van
faillissement of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, ten
aanzien van de boekhouding van de failliet
onderscheidenlijk degene ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling van toepassing is.
Afdeling 2. Inschrijvingen betreffende
registergoederen
Artikel 16
1. Er
worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor
de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn,
worden ingeschreven.
2. Welke
deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een
inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke
stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden,
wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers worden
ingericht, hoe de inschrijvingen daarin geschieden, en hoe
de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij
de wet.
Artikel 17
1.
Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere
wetsbepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de
volgende feiten worden ingeschreven:
a. rechtshandelingen die een
verandering in de rechtstoestand van registergoederen
brengen of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand
van belang zijn;
b. erfopvolgingen die
registergoederen betreffen, daaronder begrepen de
opvolging door de Staat krachtens de artikelen 189 en
226 lid 4 van Boek 4, en de afgifte van registergoederen
aan de Staat krachtens artikel 226 leden 1 en 2 van Boek
4;
c. vervulling van de voorwaarde,
gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke
rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker
tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven
rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood
van een vruchtgebruiker van een registergoed;
d. reglementen en andere
regelingen die tussen medegerechtigden in
registergoederen zijn vastgesteld;
e. rechterlijke uitspraken die de
rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid
daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar
bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier
wordt overgelegd, dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel
meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak
niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is
gebleken, benevens de tegen de bovenbedoelde uitspraken
ingestelde rechtsmiddelen;
f. instelling van
rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter
verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de
rechtstoestand van een registergoed betreft;
g. executoriale en conservatoire
beslagen op registergoederen;
h. naamsveranderingen die tot
registergoederen gerechtigde personen betreffen;
i. verjaring die leidt tot
verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een
beperkt recht dat een registergoed is;
j. beschikkingen en uitspraken,
waarbij een krachtens een bijzondere wetsbepaling
ingeschreven beschikking wordt vernietigd, ingetrokken
of gewijzigd;
k. de aanleg en verwijdering van
een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen,
bestemd voor transport van vaste, vloeibare of
gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
2. Huur-
en pachtovereenkomsten en andere feiten die alleen
persoonlijke rechten geven of opheffen, kunnen slechts
worden ingeschreven, indien een bijzondere wetsbepaling dit
toestaat.
Artikel 18
Worden de bewaarder der registers stukken
ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt hij de aanbieder een
bewijs van ontvangst, vermeldende de aard dier stukken alsmede
dag, uur en minuut van de aanbieding.
Artikel 19
1.
Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden
aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen
voldoen en andere wettelijke vereisten voor inschrijving
zijn vervuld, dan geschiedt de inschrijving terstond na de
aanbieding.
2. Als
tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding
van de voor de inschrijving vereiste stukken.
3. Op
verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte
inschrijving op het ontvangstbewijs aan of doet hij in de
gevallen en op een wijze bij of krachtens de wet, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, vast te stellen, daarvan mededeling
aan de aanbieder.
4.
Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken
vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met
betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld,
of dat de in te schrijven rechtshandeling door een
onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere
rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige
stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en
andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.
Artikel 20
1. De
bewaarder der registers weigert een inschrijving te doen,
indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19,
eerste lid. Hij boekt de aanbieding in het register van
voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen
bedenkingen.
2.
Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de
voorzieningenrechter van de rechtbank, rechtdoende in kort
geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de
inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de
bevoegdheid van de gewone rechter. De voorzieningenrechter
kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere
belanghebbenden gelasten. Het bevel van de
voorzieningenrechter is van rechtswege uitvoerbaar bij
voorraad.
3. Wordt
de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de
bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft
verzocht.
4.
Indien de belanghebbende binnen twee weken na de
oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een dagvaarding
in kort geding ter verkrijging van het in lid 2 bedoelde
bevel heeft doen uitbrengen en de aanvankelijk geweigerde
inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding
van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in
eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te
zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke
aanbieding plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de bewaarder
op een hernieuwde aanbieding alsnog overgaat tot
inschrijving binnen twee weken hetzij na de oorspronkelijke
aanbieding, hetzij na een hem tijdig uitgebrachte
dagvaarding hangende het geding in eerste aanleg.
5. Een
feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig lid 1,
tweede zin, geboekt stuk wordt geacht niet door raadpleging
van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het
vorige lid geacht moet worden reeds ten tijde van de
raadpleging ingeschreven te zijn geweest.
6. Een
voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald,
zodra hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van
het vierde lid niet meer kunnen worden vervuld, of de
inschrijving met inachtneming van het tijdstip van
oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden.
Artikel 21
1. De
rangorde van inschrijvingen die op een zelfde registergoed
betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde der
tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de wet een andere
rangorde voortvloeit.
2.
Vinden twee inschrijvingen op één zelfde tijdstip plaats en
zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van
verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde
bepaald:
a. ingeval de ter inschrijving
aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt:
door de volgorde van die dagen;
b. ingeval beide akten op dezelfde
dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder
begrepen notariële verklaringen, betreft: door de
volgorde van de tijdstippen waarop ieder van die akten
of verklaringen is opgemaakt.
Artikel 22
Wanneer een feit in de registers is
ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet
meer worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de
inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen.
Artikel 23
Het beroep van een verkrijger van een
registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit
beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door
raadpleging van de registers zouden zijn gekend.
Artikel 24
1.
Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot
verkrijging van een recht op een registergoed onder
bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een
eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet
met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan
dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij
hij het kende.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. feiten die naar hun aard
vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de
burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een
boedelregister, ook indien het feit in een gegeven geval
daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de
Nederlandse wet niet van toepassing is;
b. in het curateleregister
ingeschreven ondercuratelestelling en opheffing van
curatele;
c. in het faillissementsregister,
het surséanceregister en het register
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
ingeschreven rechterlijke uitspraken;
d. aanvaarding en verwerping van
een nalatenschap;
e. verjaring.
3. Het
eerste lid is evenmin van toepassing ten aanzien van
erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het
tijdstip van de inschrijving van de rechtshandeling nog niet
ingeschreven waren, doch daarna, mits binnen drie maanden na
de dood van de erflater, alsnog in de registers zijn
ingeschreven.
Artikel 25
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een
registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit
met betrekking tot dat registergoed in de registers was
ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door
een ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld,
kan de onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden
tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid kende of door
raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen
kennen.
Artikel 26
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een
registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met
betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers
ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die
redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de
werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet
worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door
raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen
kennen.
Artikel 27
1. Hij
die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan
alle belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast
hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed
ingeschreven staan, ieder bij name dagvaarden om te horen
verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt,
toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de
rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen,
welke hij in het belang van mogelijke niet-verschenen
rechthebbenden nuttig oordeelt. Een krachtens dit artikel
verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven,
voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Tegen
het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep en
cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de
volgende uitzonderingen. Artikel 335 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. De
dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld, moet
op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen
worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn
voor hoger beroep begint voor niet-verschenen
belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de
uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven
waren, of bij openbaar exploit, zo zij niet ingeschreven
waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.
3. De
krachtens lid 1 ingeschreven verklaring wordt ten aanzien
van niet-verschenen belanghebbenden die niet bij name zijn
gedagvaard, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet
bewezen is.
Op de onjuistheid kan echter geen
beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee
onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere
titel zijn opgevolgd.
4. Een
openbare oproeping als bedoeld in lid 1 geschiedt
overeenkomstig artikel 54, tweede en derde lid van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een openbaar
exploit als bedoeld in lid 2 geschiedt op dezelfde wijze,
tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als
bedoeld in lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen
bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde
aankondigingen van een door de rechter vast te stellen
inhoud in één of meer binnen- of buitenlandse dagbladen.
Artikel 28
1. Is
een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier
behoeve zij anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze
waardeloosheid aan hem die daarbij een onmiddellijk belang
heeft, op diens verzoek een schriftelijke verklaring af te
geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop de
waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek
of een beslag betreft.
2.
Verklaringen als in lid 1 bedoeld kunnen in de registers
worden ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of
een beslag betreft, machtigen deze verklaringen na
inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daarvan.
Artikel 29
1.
Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan
verklaart de rechtbank de inschrijving waardeloos op
vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter
verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat
ingeschreven gedagvaard, dan worden daarmee tevens
gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe
inschrijving hebben genomen.
2.
Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de
rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen,
welke hij in het belang van mogelijk niet-verschenen
rechthebbenden nuttig oordeelt.
3.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-
ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het
rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in
artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Zo voor een ingeschreven gedaagde geen verzet, maar hoger
beroep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn
rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben
genomen. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint
de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de
betekening van het vonnis aan de ingeschreven gedaagde, ook
als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, zulks
mede ten opzichte van zijn rechtverkrijgenden die geen
nieuwe inschrijving hebben genomen, tenzij de rechter
hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel
niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.
4. Het
vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven,
voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de
waardeloze inschrijving een hypotheek of beslag betreft,
machtigt het vonnis na inschrijving de bewaarder tot
doorhaling daarvan.
Artikel 30
Onverminderd de aansprakelijkheden van de
Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in
artikel 117, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet, is de
Staat aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge van
omstandigheden die naar redelijkheid en billijkheid niet voor
zijn rekening komen, door toepassing van een der artikelen 24,
25 of 27 zijn recht verliest.
Artikel 31
Waar een wetsbepaling die betrekking heeft
op registergoederen, een notariële akte of een notariële
verklaring voorschrijft, is een akte of verklaring van een
Nederlandse notaris vereist.
Titel 2. Rechtshandelingen
Artikel 32
1.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van
rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt.
2. Een
rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een
eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot
een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.
Artikel 33
Een rechtshandeling vereist een op een
rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft
geopenbaard.
Artikel 34
1. Heeft
iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn
gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring
overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis
een redelijke waardering der bij de handeling betrokken
belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van
die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder
invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de
rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was,
tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling
redelijkerwijze niet was te voorzien.
2. Een
zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling
vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot
een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het
ontbreken van wil echter nietig.
Artikel 35
Tegen hem die eens anders verklaring of
gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft
opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van
een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het
ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.
Artikel 36
Tegen hem die als derde op grond van een
verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan
onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen,
het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde
rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op
de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door
degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking
tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling
geen beroep worden gedaan.
Artikel 37
1.
Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip
van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij
in een of meer gedragingen besloten liggen.
2.
Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet
worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die
bepaling niet anders volgt, ook bij exploit geschieden.
3. Een
tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar
werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans
heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht,
niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit
niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen
handeling, van de handeling van personen voor wie hij
aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn
persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel
draagt.
4.
Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of
middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft
overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene
als de verklaring van de afzender, tenzij de gevolgde wijze
van overbrenging door de ontvanger was bepaald.
5.
Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte
verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon
eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring
bereiken.
Artikel 38
1.
Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling
anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een
tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht.
2. De
vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende
kracht.
Artikel 39
Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn
rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn
verricht, nietig.
Artikel 40
1. Een
rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is
met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.
2.
Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid
van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend
strekt ter bescherming van één der partijen bij een
meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid,
een en ander voor zover niet uit de strekking van de
bepaling anders voortvloeit.
3. Het
vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet
de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige
rechtshandelingen aan te tasten.
Artikel 41
Betreft een grond van nietigheid slechts
een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het
overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking
van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige
deel staat.
Artikel 42
Beantwoordt de strekking van een nietige
rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als
geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden
dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de
eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt
haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit
onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de
rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.
Artikel 43
1.
Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door
tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door:
a. rechters, leden van het
openbaar ministerie, gerechtsauditeurs, griffiers,
advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen van
goederen waarover een geding aanhangig is voor het
gerecht, onder welks rechtsgebied zij hun bediening
uitoefenen;
b. ambtenaren, van goederen die
door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of
c. personen met openbaar gezag
bekleed, van goederen die toebehoren aan het Rijk,
provincies, gemeenten of andere openbare instellingen en
aan hun beheer zijn toevertrouwd,
zijn nietig en verplichten de
verkrijgers tot schadevergoeding.
2. Lid 1
onder a heeft geen betrekking op uiterste
wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn
wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen
krachtens welke deze erfgenamen goederen der nalatenschap
verkrijgen.
3. In
het geval bedoeld in het eerste lid onder c is de
rechtshandeling geldig, indien zij met Onze goedkeuring is
geschied of het een verkoop in het openbaar betreft. Indien
de rechtshandeling strekt tot verkrijging door een lid van
de gemeenteraad of een wethouder, onderscheidenlijk de
burgemeester komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid
tot goedkeuring toe aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Commissaris van de Koningin.
Artikel 44
1. Een
rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door
bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden
is tot stand gekomen.
2.
Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het
verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door
onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of
goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een
redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.
3.
Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het
verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door
enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door
het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de
verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere
kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al
zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.
4.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die
weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere
omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid,
lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid,
bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling,
het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert,
ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou
behoren te weerhouden.
5.
Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging,
bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van
iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit
gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die
geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.
Artikel 45
1.
Indien een schuldenaar bij het verrichten van een
onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat
daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun
verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de
rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond
worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in
zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser,
onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is
ontstaan.
2. Een
rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig
is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen
gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd,
indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de
rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat
daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg
zou zijn.
3. Wordt
een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd,
dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde
die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling
benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn,
geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van
de verklaring of het instellen van de vordering tot
vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat
was.
4. Een
schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling
opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet
verder dan nodig is ter opheffing van de door hem
ondervonden benadeling.
5.
Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet
verkregen op goederen die het voorwerp waren van de
vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd. Ten
aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft
verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij
aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt
opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.
Artikel 46
1.
Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers
zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het
inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich
niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die
rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan
beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige
benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn:
1°. bij overeenkomsten, waarbij de
waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar
aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde
overtreft;
2°. bij rechtshandelingen ter
voldoening van of zekerheidstelling voor een niet
opeisbare schuld;
3°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met
of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn
pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de
derde graad;
b. een rechtspersoon waarin
hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed-
of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of
commissaris is, dan wel waarin deze personen,
afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal deelnemen;
4°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een natuurlijk persoon:
a. die bestuurder of
commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of
jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of
aanverwant tot in de derde graad;
b. die al dan niet tezamen met
zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed-
of aanverwanten tot in de derde graad, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten
minste de helft van het geplaatste kapitaal
deelneemt;
c. wiens echtgenoot,
pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de
derde graad, afzonderlijk of tezamen, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor
tenminste de helft van het geplaatste kapitaal
deelnemen;
5°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een andere rechtspersoon, indien
a. een van deze rechtspersonen
bestuurder is van de andere;
b. een bestuurder, natuurlijk
persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens
echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad, bestuurder is van de andere;
c. een bestuurder, natuurlijk
persoon, of een commissaris van een van deze
rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of
bloed- of aanverwant tot in de derde graad,
afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal deelneemt in de andere;
d. in beide rechtspersonen
voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal
rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door
dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke
persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot,
zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten
tot in de derde graad;
6°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een groepsmaatschappij.
2. Met
een echtgenoot wordt een geregistreerde partner of een
andere levensgezel gelijkgesteld.
3. Onder
pleegkind wordt verstaan hij die duurzaam als eigen kind is
verzorgd en opgevoed.
4. Onder
bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan
hij die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling
bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.
5.
Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf
een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de
rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.
Artikel 47
In geval van benadeling door een
rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht
binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond,
wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling
van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling
zou zijn.
Artikel 48
Onder schuldenaar in de zin van de drie
vorige artikelen is begrepen hij op wiens goed voor de schuld
van een ander verhaal kan worden genomen.
Artikel 49
Een vernietigbare rechtshandeling wordt
vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring,
hetzij door een rechterlijke uitspraak.
Artikel 50
1. Een
buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling
vernietigt, wordt door hem in wiens belang de
vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij
de rechtshandeling zijn.
2. Een
buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met
betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een
inschrijving in de openbare registers of tot een tot
levering van een registergoed, bestemde akte, slechts
vernietigen indien alle partijen in de vernietiging
berusten.
Artikel 51
1. Een
rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling,
doordat zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond
aanvaardt.
2. Een
rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling
wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling
zijn.
3. Een
beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen
tijde worden gedaan ter afwering van een op de
rechtshandeling steunende vordering of andere
rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo
spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen
bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn
verschenen.
Artikel 52
1.
Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling
verjaren:
a. in geval van onbekwaamheid:
drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of,
indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger
heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van de
wettelijke vertegenwoordiger is gekomen;
b. in geval van bedreiging of
misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze
invloed heeft opgehouden te werken;
c. in geval van bedrog, dwaling of
benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of
de benadeling is ontdekt;
d. in geval van een andere
vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om
deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie
deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.
2. Na de
verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de
rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde
vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring
worden vernietigd.
Artikel 53
1. De
vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de
rechtshandeling is verricht.
2.
Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling
bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter
desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar
werking ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor
onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot
een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt.
Artikel 54
1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige
rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van
omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een
wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt,
die het nadeel op afdoende wijze opheft.
2.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen,
in plaats van een vernietiging wegens misbruik van
omstandigheden uit te spreken, ter opheffing van dit nadeel
de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen.
Artikel 55
1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een
beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer
hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling
heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de
rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang
heeft genomen.
2.
Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een
vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk
belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan
hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn
heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en
vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft
gedaan.
Artikel 56
Voor de toepassing van de artikelen 50-55
gelden mede als partij:
a. in geval van eenzijdige tot een
of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling: die
personen;
b. in geval van andere eenzijdige
rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden
zijn bij de instandhouding van die handeling.
Artikel 57
Behoeft een rechtshandeling om het beoogde
gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige
andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een
andere persoon, die geen partij bij de rechtshandeling is, dan
kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de
rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat, indien niet binnen
een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die
toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien
zonder gevolg zal blijven.
Artikel 58
1.
Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een
voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt
vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op
dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling
en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de
handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de
rechtshandeling bekrachtigd.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing op het geval dat een
rechtshandeling nietig is als gevolg van
handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft verricht
en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt.
3.
Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan
bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden
geëerbiedigd.
Artikel 59
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 3. Volmacht
Artikel 60
1.
Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent
aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam
rechtshandelingen te verrichten.
2. Waar
in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is
daaronder het in ontvangst nemen van een verklaring
begrepen.
Artikel 61
1. Een
volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.
2. Is
een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan
tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring
of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat
een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van
deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.
3.
Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht
beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de
wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen
deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.
Artikel 62
1. Een
algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van
beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is
bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder
algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken
van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met
uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten.
2. Een
bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is
verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking
indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een
volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot
alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen
zijn tot het bereiken van dit doel.
Artikel 63
1. De
omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van
rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam
tot het optreden als gevolmachtigde.
2.
Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend,
is een krachtens die volmacht door de gevolmachtigde
verrichte rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of
vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame zelf zou
zijn verricht.
Artikel 64
Tenzij anders is bepaald, is een
gevolmachtigde slechts in de navolgende gevallen bevoegd de hem
verleende volmacht aan een ander te verlenen:
a. voor zover de bevoegdheid
hiertoe uit de aard der te verrichten rechtshandelingen
noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met
het gebruik;
b. voor zover de verlening van de
volmacht aan een andere persoon in het belang van de
volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat
is een voorziening te treffen;
c. voor zover de volmacht goederen
betreft, die gelegen zijn buiten het land waarin de
gevolmachtigde zijn woonplaats heeft.
Artikel 65
Is een volmacht aan twee of meer personen
tezamen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig te
handelen, tenzij anders is bepaald.
Artikel 66
1. Een
door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn
bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte
rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever.
2. Voor
zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van
wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten
van belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van een
rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de
volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking,
al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in
de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling
van haar inhoud.
Artikel 67
1. Hij
die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen
volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet,
de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij
gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.
2.
Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt,
wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben
aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 68
Tenzij anders is bepaald, kan een
gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever
optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling
zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen
uitgesloten is.
Artikel 69
1.
Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als
gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan
laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar
daardoor hetzelfde gevolg verschaffen, als zou zijn
ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht.
2. Is
voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling
een bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging
hetzelfde vereiste.
3. Een
bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip
waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen
gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een
volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op
het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen
dat geen toereikende volmacht was verleend.
4. Een
onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam
gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging
stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of
voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen.
5.
Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan
derden verleend, blijven gehandhaafd.
Artikel 70
Hij die als gevolmachtigde handelt, staat
jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de
volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat
een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de
inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft
medegedeeld.
Artikel 71
1.
Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door
de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen,
indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de
volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een
geschrift waaruit de volmacht volgt is overgelegd, hetzij de
volmacht door de volmachtgever is bevestigd.
2.
Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd, indien de
volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij
was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde
wijze was bekendgemaakt, of indien zij voortvloeit uit een
aanstelling waarmede de wederpartij bekend is.
Artikel 72
Een volmacht eindigt:
a. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
volmachtgever of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen;
b. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
gevolmachtigde of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tenzij anders is bepaald;
c. door herroeping door de
volmachtgever;
d. door opzegging door de
gevolmachtigde.
Artikel 73
1.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de
rechtshandelingen te verrichten, die nodig zijn voor het
beheer van een onderneming.
2.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd
rechtshandelingen te verrichten, die niet zonder nadeel
kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de
gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd.
3. De in
de vorige leden vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het
overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging.
Artikel 74
1. Voor
zover een volmacht strekt tot het verrichten van een
rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van
een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of
dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling
van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij
anders blijkt, de tweede in.
2. Bevat
de volmacht een bepaling als in het vorige lid bedoeld, dan
mag de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de
geldigheid van die bepaling gestelde vereiste vervuld is,
tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is.
3.
Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een
overeenkomstig het eerste lid onherroepelijk verleende
volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen aan
een ander verlenen.
4. De
rechtbank kan op verzoek van de volmachtgever, of van een
erfgenaam of de curator van de volmachtgever, een bepaling
als in het eerste lid bedoeld wegens gewichtige redenen
wijzigen of buiten werking stellen.
Artikel 75
1. Na
het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde
desgevorderd geschriften waaruit de volmacht blijkt,
teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent
dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij notariële
akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut
onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever
het einde van de volmacht daarop aan.
2.
Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht
ondanks haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever
zich wenden tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met
verzoek de wijze van bekendmaking van het einde van de
volmacht te bepalen, die ten gevolge zal hebben dat het
tegen een ieder kan worden ingeroepen. Tegen een toewijzende
beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening
toegelaten.
Artikel 76
1. Een
oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover
een wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch
van die oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen:
a. indien het einde van de
volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen aan
de wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op
een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen
meebrengt dat de volmachtgever het einde van de volmacht
aan de wederpartij kan tegenwerpen;
b. indien de dood van de
volmachtgever van algemene bekendheid was;
c. indien de aanstelling of
tewerkstelling, waaruit de volmacht voortvloeide, op een
voor derden kenbare wijze was beëindigd;
d. indien de wederpartij van de
volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan
door een verklaring van de gevolmachtigde.
2. In de
gevallen van het vorige lid is de gevolmachtigde die
voortgaat op naam van de volmachtgever te handelen, tot
schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die van het
einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet
aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de
volmacht was geëindigd.
Artikel 77
Wordt ondanks de dood van de volmachtgever
krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling verricht, dan
worden de erfgenamen van de volmachtgever en de wederpartij
gebonden alsof de handeling bij het leven van de volmachtgever
was verricht.
Artikel 78
Wanneer iemand optreedt als
vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn de
artikelen 63, lid 1, 66, lid 1, 67, 69, 70, 71 en 75 lid 2 van
overeenkomstige toepassing, voor zover uit de wet niet anders
voortvloeit.
Artikel 79
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 4. Verkrijging en verlies van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 80
1. Men
kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel
verkrijgen.
2. Men
verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging,
door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309
van Boek 2 en door splitsing als bedoeld in artikel 334a van
Boek 2.
3. Men
verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht,
door verjaring en door onteigening, en voorts op de overige
in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van
rechtsverkrijging.
4. Men
verliest goederen op de voor iedere soort in de wet
aangegeven wijzen.
Artikel 81
1. Hij
aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt, kan
binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde
beperkte rechten vestigen. Hij kan ook zijn recht onder
voorbehoud van een zodanig beperkt recht overdragen, mits
hij de voorschriften zowel voor overdracht van een zodanig
goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht in
acht neemt.
2.
Beperkte rechten gaan teniet door:
a. het tenietgaan van het recht
waaruit het beperkte recht is afgeleid;
b. verloop van de tijd waarvoor,
of de vervulling van de ontbindende voorwaarde waaronder
het beperkte recht is gevestigd;
c. afstand;
d. opzegging, indien de
bevoegdheid daartoe bij de wet of bij de vestiging van
het recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt
gerechtigde of aan beiden is toegekend;
e. vermenging;
en voorts op de overige in de wet voor
iedere soort aangegeven wijzen van tenietgaan.
3.
Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op
het tenietgaande beperkte recht op hun beurt een beperkt
recht hebben. Vermenging werkt evenmin ten voordele van hen
die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het
tenietgaande recht moesten eerbiedigen.
Artikel 82
Afhankelijke rechten volgen het recht
waaraan zij verbonden zijn.
Afdeling 2. Overdracht van goederen en
afstand van beperkte rechten
Artikel 83
1.
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn
overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich
tegen een overdracht verzet.
2. De
overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een
beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
3. Alle
andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet
dit bepaalt.
Artikel 84
1. Voor
overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens
geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het
goed te beschikken.
2. Bij
de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven
zijn.
3. Een
rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen
tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de
overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen,
is geen geldige titel van overdracht van dat goed.
4. Wordt
ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd,
dan wordt slechts een recht verkregen, dat aan dezelfde
voorwaarde als die verbintenis is onderworpen.
Artikel 85
1. Een
verbintenis strekkende tot overdracht van een goed voor een
bepaalde tijd, wordt aangemerkt als een verbintenis tot
vestiging van een vruchtgebruik op het goed voor de gestelde
tijd.
2. Een
verbintenis strekkende tot overdracht van een goed onder
opschortende tijdsbepaling, wordt aangemerkt als een
verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met
gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de
vervreemder op het goed voor de gestelde tijd.
Artikel 86
1.
Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht
overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak,
niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig,
indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de
verkrijger te goeder trouw is.
2. Rust
op een in het vorige lid genoemd goed dat overeenkomstig
artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen,
een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent
noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval
van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde
opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is.
3.
Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het
bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende
drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als
zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke
persoon die niet in de uitoefening van een beroep of
bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die
van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke
zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in
een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde
onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het
een en ander behorende grond, en in de normale
uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder- of
orderpapier betreft.
4. Op de
in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316,
318 en 319 betreffende de stuiting van de verjaring van een
rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 86a
1.
Artikel 86 kan niet worden tegengeworpen aan een lid-staat
van de Europese Unie of aan een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte die een roerende zaak opeist, die krachtens de
nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de
zin van artikel 1, onder 1, van richtlijn nr. 93/7/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993
betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op
onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lid-staat
zijn gebracht (PbEG L 74), mits die zaak in de zin
van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het
grondgebied van die staat is gebracht.
2.
Artikel 86 kan evenmin worden tegengeworpen aan degene die
als eigenaar een roerende zaak opeist, die op het tijdstip
waarop hij het bezit daarvan verloor, krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp was
aangewezen of waarvan het buiten Nederland brengen op grond
van artikel 14a van die wet verboden is. Degene die
toen op de lijst waarop het beschermde voorwerp was
geplaatst of op een inventarislijst, bedoeld in artikel 14a,
tweede lid, van die wet, als eigenaar werd vermeld, wordt
vermoed toen eigenaar van de zaak geweest te zijn.
3. De
rechter die een vordering als bedoeld in lid 1 toewijst,
kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden
vast te stellen billijke vergoeding toe, indien deze bij de
verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid heeft
betracht. Hetzelfde geldt indien de rechter een vordering
als bedoeld in lid 2 toewijst, tenzij opeising zonder
vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3
mogelijk zou zijn geweest.
4. De
vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter
verschuldigd is krachtens de artikelen 120 en 121. Zij wordt
bij afgifte van de zaak uitgekeerd.
Artikel 87
1. Een
verkrijger die binnen drie jaren na zijn verkrijging
gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, dient
onverwijld de gegevens te verschaffen, die nodig zijn om
deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn
verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet
aan deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de
artikelen 86 en 86a aan een verkrijger te goeder
trouw bieden, niet inroepen.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing ten aanzien van geld.
Artikel 88
1.
Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht
van een registergoed, van een recht op naam, of van een
ander goed waarop artikel 86 niet van toepassing is, geldig,
indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid
voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht,
die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige
vervreemder.
2. Lid 1
geldt niet voor roerende zaken die krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp zijn
aangewezen voor zover de overdracht ongeldig is als gevolg
van het bepaalde in artikel 7 van die wet.
Artikel 89
1. De
voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering
geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen
opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving
daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Zowel de
verkrijger als de vervreemder kan de akte doen inschrijven.
2. De
tot levering bestemde akte moet nauwkeurig de titel van
overdracht vermelden; bijkomstige bedingen die niet de
overdracht betreffen, kunnen in de akte worden weggelaten.
3.
Treedt bij een akte van levering iemand als gevolmachtigde
van een der partijen op, dan moet in de akte de volmacht
nauwkeurig worden vermeld.
4. Het
in dit artikel bepaalde vindt overeenkomstige toepassing op
de levering, vereist voor de overdracht van andere
registergoederen.
Artikel 90
1. De
levering vereist voor de overdracht van roerende zaken,
niet-registergoederen, die in de macht van de vervreemder
zijn, geschiedt door aan de verkrijger het bezit der zaak te
verschaffen.
2.
Blijft de zaak na de levering in handen van de vervreemder,
dan werkt de levering tegenover een derde die een ouder
recht op de zaak heeft, eerst vanaf het tijdstip dat de zaak
in handen van de verkrijger is gekomen, tenzij de oudere
gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd.
Artikel 91
De levering van in het vorige artikel
bedoelde zaken ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht
onder opschortende voorwaarde, geschiedt door aan de verkrijger
de macht over de zaak te verschaffen.
Artikel 92
1. Heeft
een overeenkomst de strekking dat de een zich de eigendom
van een zaak die in de macht van de ander wordt gebracht,
voorbehoudt totdat een door de ander verschuldigde prestatie
is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te verbinden tot
overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende
voorwaarde van voldoening van die prestatie.
2. Een
eigendomsvoorbehoud kan slechts geldig worden bedongen ter
zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door
de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst
geleverde of te leveren zaken of krachtens een zodanige
overeenkomst tevens ten behoeve van de verkrijger verrichte
of te verrichten werkzaamheden, alsmede ter zake van de
vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van
zodanige overeenkomsten. Voor zover een voorwaarde op deze
grond nietig is, wordt zij voor ongeschreven gehouden.
3. Een
voorwaarde als in lid 1 bedoeld wordt voor vervuld gehouden,
wanneer de vervreemder op enige andere wijze dan door
voldoening van de tegenprestatie wordt bevredigd, wanneer de
verkrijger van zijn verplichting daartoe wordt bevrijd uit
hoofde van artikel 60 van Boek 6, of wanneer de verjaring
van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is
voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij
afstand van het recht op de tegenprestatie.
Artikel 92a
1. De
goederenrechtelijke gevolgen van een eigendomsvoorbehoud
worden beheerst door het recht van de staat op welks
grondgebied de zaak zich op het tijdstip van levering
bevindt. Dit laat onverlet de verbintenissen die volgens het
op het beding van eigendomsvoorbehoud toepasselijke recht,
daaruit kunnen voortvloeien.
2. In
afwijking van de eerste zin van lid 1 kunnen partijen
overeenkomen dat de goederenrechtelijke gevolgen van een
eigendomsvoorbehoud van een voor uitvoer bestemde zaak
worden beheerst door het recht van de staat van bestemming
indien dat recht ter zake van het eigendomsvoorbehoud voor
de schuldeiser gunstiger bepalingen bevat dan het op grond
van het eerste lid toepasselijke recht. De aldus
overeengekomen aanwijzing heeft slechts gevolg indien de
zaak daadwerkelijk in de aangewezen staat van bestemming
wordt ingevoerd.
Artikel 93
De levering, vereist voor de overdracht
van een recht aan toonder waarvan het toonderpapier in de macht
van de vervreemder is, geschiedt door de levering van dit papier
op de wijze en met de gevolgen als aangegeven in de artikelen
90, 91 en 92. Voor overdracht van een recht aan order, waarvan
het orderpapier in de macht van de vervreemder is, geldt
hetzelfde, met dien verstande dat voor de levering tevens
endossement vereist is.
Artikel 94
1.
Buiten de in het vorige artikel geregelde gevallen worden
tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten
geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling
daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger.
2. De
levering van een tegen een bepaalde, doch op de dag waarop
de akte wordt opgemaakt onbekende persoon uit te oefenen
recht dat op die dag aan de vervreemder toebehoort, werkt
terug tot die dag, indien de mededeling met bekwame spoed
wordt gedaan, nadat die persoon bekend is geworden.
3. Deze
rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde
authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder
mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten
moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip
van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden
verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De
levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen
wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling
daarvan aan die personen door de vervreemder of de
verkrijger. Voor de verkrijger van een recht dat
overeenkomstig de eerste zin is geleverd, geldt artikel 88
lid 1 slechts, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip
van de in tweede zin bedoelde mededeling.
4. De
personen tegen wie het recht moet worden uitgeoefend, kunnen
verlangen dat hun een door de vervreemder gewaarmerkt
uittreksel van de akte en haar titel wordt ter hand gesteld.
Bedingen die voor deze personen van geen belang zijn,
behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel
geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor
hen van belang, schriftelijk worden medegedeeld.
Artikel 95
Buiten de in de artikelen 89-94 geregelde
gevallen en behoudens het in de artikelen 96 en 98 bepaalde,
worden goederen geleverd door een daartoe bestemde akte.
Artikel 96
De levering van een aandeel in een goed
geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige
gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat
goed.
Artikel 97
1.
Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd,
tenzij het verboden is deze tot onderwerp van een
overeenkomst te maken of het registergoederen zijn.
2. Een
levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt niet
tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij
voorbaat heeft verkregen. Betreft het een roerende zaak, dan
werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip dat de zaak in
handen van de verkrijger is gekomen.
Artikel 98
Tenzij de wet anders bepaalt, vindt al
hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is
bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de
overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig
goed.
Afdeling 3. Verkrijging en verlies door
verjaring
Artikel 99
1.
Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en
rechten aan toonder of order worden door een bezitter te
goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie
jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien
jaren.
2. Lid 1
geldt niet voor roerende zaken die krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp zijn
aangewezen of deel uitmaken van een openbare collectie of
van een inventarislijst als bedoeld in artikel 14a,
tweede lid, van die wet, mits het bezit na die aanwijzing of
gedurende dit deel uitmaken is begonnen.
Artikel 100
Hij die een nalatenschap in bezit heeft
genomen, kan die nalatenschap en de daartoe behorende goederen
niet eerder door verjaring ten nadele van de rechthebbende
verkrijgen dan nadat diens rechtsvordering tot opeising van die
nalatenschap is verjaard.
Artikel 101
Een verjaring begint te lopen met de
aanvang van de dag na het begin van het bezit.
Artikel 102
1. Hij
die een ander onder algemene titel in het bezit opvolgt, zet
een lopende verjaring voort.
2.
Hetzelfde doet de bezitter te goeder trouw die het bezit van
een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen.
Artikel 103
Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de
loop der verjaring niet, mits het bezit binnen het jaar wordt
terugverkregen of een binnen het jaar ingestelde rechtsvordering
tot terugverkrijging van het bezit leidt.
Artikel 104
1.
Wanneer de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot
beëindiging van het bezit wordt gestuit of verlengd, wordt
daarmede de verkrijgende verjaring dienovereenkomstig
gestuit of verlengd.
2. In
dit en de beide volgende artikelen wordt onder verjaring van
een rechtsvordering de verjaring van de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van de uitspraak waarbij de eis is
toegewezen, begrepen.
Artikel 105
1. Hij
die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van
de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit
wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit
niet te goeder trouw.
2. Heeft
iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren,
maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het
bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar
ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij
als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip
aangemerkt.
Artikel 106
Wanneer de verjaring van de
rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de
hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht
strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht
teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is
belet.
Titel 5. Bezit en houderschap
Artikel 107
1. Bezit
is het houden van een goed voor zichzelf.
2. Bezit
is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander
het goed voor hem houdt.
3. Bezit
is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een
ander die het goed voor hem houdt.
4.
Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of
middellijk.
Artikel 108
Of iemand een goed houdt en of hij dit
voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar
verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende
regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.
Artikel 109
Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor
zichzelf te houden.
Artikel 110
Bestaat tussen twee personen een
rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op
bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden
gehouden, dan houdt de ene het ter uitvoering van die
rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander.
Artikel 111
Wanneer men heeft aangevangen krachtens
een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men daarmede
onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin
verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling
van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een
tegenspraak van diens recht.
Artikel 112
Bezit wordt verkregen door inbezitneming,
door overdracht of door opvolging onder algemene titel.
Artikel 113
1. Men
neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke
macht te verschaffen.
2.
Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele
op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een
inbezitneming onvoldoende.
Artikel 114
Een bezitter draagt zijn bezit over door
de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen, die
hij zelf over het goed kon uitoefenen.
Artikel 115
Voor de overdracht van het bezit is een
tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende:
a. wanneer de vervreemder de zaak
bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt
beding voortaan voor de verkrijger houdt;
b. wanneer de verkrijger houder
van de zaak voor de vervreemder was;
c. wanneer een derde voor de
vervreemder de zaak hield, en haar na de overdracht voor
de ontvanger houdt. In dit geval gaat het bezit niet
over voordat de derde de overdracht heeft erkend, dan
wel de vervreemder of de verkrijger de overdracht aan
hem heeft medegedeeld.
Artikel 116
Hij die onder een algemene titel een ander
opvolgt, volgt daarmede die ander op in diens bezit en
houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan.
Artikel 117
1. Een
bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het
goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit
van het goed verkrijgt.
2.
Zolang niet een der in het vorige lid genoemde gronden van
bezitsverlies zich heeft voorgedaan, duurt een aangevangen
bezit voort.
Artikel 118
1. Een
bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als
rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als
zodanig mocht beschouwen.
2. Is
een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht
dit te blijven.
3. Goede
trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van
goede trouw moet worden bewezen.
Artikel 119
1. De
bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.
2. Ten
aanzien van registergoederen wijkt dit vermoeden, wanneer
komt vast te staan dat de wederpartij of diens
rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de
bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder
bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers
vereist is.
Artikel 120
1. Aan
een bezitter te goeder trouw behoren de afgescheiden
natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten
toe.
2. De
rechthebbende op een goed, die dit opeist van een bezitter
te goeder trouw of die het van deze heeft terugontvangen, is
verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten
alsmede de schade waarvoor de bezitter op grond van het in
titel 3 van Boek 6 bepaalde uit hoofde van zijn bezit jegens
derden aansprakelijk mocht zijn, aan deze te vergoeden, voor
zover de bezitter niet door de vruchten van het goed en de
overige voordelen die hij ter zake heeft genoten, voor het
een en ander is schadeloos gesteld. De rechter kan de
verschuldigde vergoeding beperken, indien volledige
vergoeding zou leiden tot onbillijke bevoordeling van de
bezitter jegens de rechthebbende.
3.
Zolang een bezitter te goeder trouw de hem verschuldigde
vergoeding niet heeft ontvangen, is hij bevoegd de afgifte
van het goed op te schorten.
4. Het
in dit artikel bepaalde is ook van toepassing op hem die
meent en mocht menen dat hij het bezit rechtmatig heeft
verkregen, ook al weet hij dat de handelingen die voor de
levering van het recht nodig zijn, niet hebben
plaatsgevonden.
Artikel 121
1. Een
bezitter die niet te goeder trouw is, is jegens de
rechthebbende behalve tot afgifte van het goed ook verplicht
tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke en de
opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn
aansprakelijkheid op grond van het in titel 3 van Boek 6
bepaalde voor door de rechthebbende geleden schade.
2. Hij
heeft tegen de rechthebbende alleen een vordering tot
vergoeding van de kosten die hij ten behoeve van het goed of
tot winning van de vruchten heeft gemaakt, voor zover hij
deze vergoeding van de rechthebbende kan vorderen op grond
van het bepaalde omtrent ongerechtvaardigde verrijking.
3. Het
in dit artikel bepaalde is ook op de bezitter te goeder
trouw van toepassing vanaf het tijdstip waarop de
rechthebbende zijn recht tegen hem heeft ingeroepen.
Artikel 122
Indien de rechthebbende ter bevrijding van
de door hem ingevolge de beide vorige artikelen verschuldigde
vergoedingen op zijn kosten het goed aan de bezitter wil
overdragen, is de bezitter gehouden hieraan mede te werken.
Artikel 123
Heeft de bezitter van een zaak daaraan
veranderingen of toevoegingen aangebracht, dan is hij bevoegd
om, in plaats van de hem op grond van de artikelen 120 en 121
daarvoor toekomende vergoeding te vorderen, deze veranderingen
of toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude
toestand terugbrengt.
Artikel 124
Wanneer iemand een goed voor een ander
houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt
opgeëist, vindt hetgeen in de voorgaande vier artikelen omtrent
de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met
inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander
stond.
Artikel 125
1. Hij
die het bezit van een goed heeft verkregen, kan op grond van
een daarna ingetreden bezitsverlies of bezitsstoornis tegen
derden dezelfde rechtsvorderingen instellen tot
terugverkrijging van het goed en tot opheffing van de
stoornis, die de rechthebbende op het goed toekomen.
Nochtans moeten deze rechtsvorderingen binnen het jaar na
het verlies of de stoornis worden ingesteld.
2. De
vordering wordt afgewezen, indien de gedaagde een beter
recht dan de eiser heeft tot het houden van het goed of de
storende handelingen krachtens een beter recht heeft
verricht, tenzij de gedaagde met geweld of op heimelijke
wijze aan de eiser het bezit heeft ontnomen of diens bezit
heeft gestoord.
3. Het
in dit artikel bepaalde laat voor de bezitter, ook nadat het
in het eerste lid bedoelde jaar is verstreken, en voor de
houder onverlet de mogelijkheid een vordering op grond van
onrechtmatige daad in te stellen, indien daartoe gronden
zijn.
Titel 6. Bewind
Artikel 126
[Gereserveerd.]
Titel 7. Gemeenschap
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 166
1.
Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen
toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.
2. De
aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun
rechtsverhouding anders voortvloeit.
3. Op de
rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van
Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 167
Goederen die geacht moeten worden in de
plaats van een gemeenschappelijk goed te treden behoren tot de
gemeenschap.
Artikel 168
1. De
deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van
gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen.
2. Voor
zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op
verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling
treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen.
Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de
belangen van partijen als met het algemeen belang.
3. Een
bestaande regeling kan op verzoek van de meest gerede par |