Erfopvolging
heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste
wilsbeschikking.
2.
Van de erfopvolging bij
versterf kan worden afgeweken bij een uiterste
wilsbeschikking die een erfstelling of een
onterving inhoudt.
Artikel 2
1.
Wanneer de volgorde waarin
twee of meer personen zijn overleden niet kan
worden bepaald, worden die personen geacht
gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de
ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap
van de andere ten deel.
2.
Indien een belanghebbende ten
gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen
worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij
het bewijs van de volgorde van overlijden, kan
de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen,
zulks voor zover redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van
het uitstel kan worden geleverd.
Artikel 3
1.
Van rechtswege zijn onwaardig
om uit een nalatenschap voordeel te trekken:
a. hij die
onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat
hij de overledene heeft omgebracht, heeft
getracht hem om te brengen, dat feit heeft
voorbereid of daaraan heeft deelgenomen;
b. hij die
onherroepelijk veroordeeld is wegens een
opzettelijk tegen de erflater gepleegd
misdrijf waarop naar de Nederlandse
wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf
is gesteld met een maximum van ten minste
vier jaren, dan wel wegens poging tot,
voorbereiding van, of deelneming aan een
dergelijk misdrijf;
c. hij van wie bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is
vastgesteld dat hij tegen de erflater
lasterlijk een beschuldiging van een
misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de
Nederlandse wettelijke omschrijving een
vrijheidsstraf met een maximum van ten
minste vier jaren is gesteld;
d. hij die de
overledene door een feitelijkheid of door
bedreiging met een feitelijkheid heeft
gedwongen of belet een uiterste
wilsbeschikking te maken;
e. hij die de uiterste
wil van de overledene heeft verduisterd,
vernietigd of vervalst.
2.
Rechten door derden te goeder
trouw verkregen voordat de onwaardigheid is
vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter
de goederen om niet zijn verkregen, kan de
rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van
hem die daardoor voordeel heeft genoten, een
naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.
3.
Een onwaardigheid vervalt,
wanneer de erflater aan de onwaardige op
ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft
vergeven.
Artikel 4
1.
Een voor het openvallen van
een nalatenschap verrichte rechtshandeling is
nietig, voor zover zij de strekking heeft een
persoon te belemmeren in zijn vrijheid om
bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens
dit Boek met betrekking tot die nalatenschap
toekomen.
2.
Overeenkomsten strekkende tot
beschikking over nog niet opengevallen
nalatenschappen in hun geheel of over een
evenredig deel daarvan, zijn nietig.
Artikel 5
1.
Op verzoek van de schuldenaar
kan de rechtbank wegens gewichtige redenen
bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek
of, in verband met de verdeling van de
nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is
verschuldigd, al dan niet vermeerderd met een in
de beschikking te bepalen rente, eerst na
verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij
in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij
let de rechtbank op de belangen van beide
partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde
worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd
een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke of
persoonlijke zekerheid voor de voldoening van
hoofdsom en rente wordt gesteld.
2.
Een in het vorige lid
bedoelde beschikking kan op verzoek van een der
partijen, gegrond op ten tijde van die
beschikking niet voorziene omstandigheden, door
de in het vorige lid genoemde rechtbank worden
gewijzigd.
Artikel 6
In dit Boek wordt onder de
waarde van de goederen der nalatenschap verstaan de
waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk
na het overlijden van de erflater, waarbij geen
rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat
daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan
komen te rusten.
Artikel 7
1.
Schulden van de nalatenschap
zijn:
a. de schulden van de
erflater die niet met zijn dood tenietgaan,
voor zover niet begrepen in onderdeel i;
b. de kosten van
lijkbezorging, voor zover zij in
overeenstemming zijn met de omstandigheden
van de overledene;
c. de kosten van
vereffening van de nalatenschap, met
inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van
executele, met inbegrip van het loon van de
executeur;
e. de schulden uit
belastingen die ter zake van het openvallen
der nalatenschap worden geheven, voor zover
zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die
ontstaan door toepassing van afdeling 2 van
titel 3;
g. de schulden ter
zake van legitieme porties waarop krachtens
artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit
legaten welke op een of meer erfgenamen
rusten;
i. de schulden uit
giften en andere handelingen die ingevolge
artikel 126 worden aangemerkt als legaten.
2.
Bij de voldoening van de
schulden ten laste van de nalatenschap worden
achtereenvolgens met voorrang voldaan:
1°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder f;
3°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder g.
Ontbreken schulden als
bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de
schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c,
en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1
onder d, e en g, met voorrang voldaan.
3.
In de nalatenschap van de
langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en
de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een
verplichting tot overdracht van goederen als
bedoeld in die artikelen met een schuld als
bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld.
Artikel 8
1.
In dit Boek worden met
echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde
partners.
2.
Voor de toepassing van lid 1
is mede begrepen onder:
a. huwelijk:
geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c.
huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een
geregistreerd partnerschap;
d. trouwbeloften:
beloften tot het aangaan van een
geregistreerd partnerschap;
e. echtscheiding:
beëindiging van een geregistreerd
partnerschap op de wijze als bedoeld in
artikel 80c onder c of d van Boek 1.
3.
Onder stiefkind van de
erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van
de echtgenoot of geregistreerde partner van de
erflater, van welk kind de erflater niet zelf
ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap
is geëindigd.
Titel 2. Erfopvolging bij
versterf
Artikel 9
Ten einde als erfgenaam bij
versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het
ogenblik dat de nalatenschap openvalt.
Artikel 10
1.
De wet roept tot een
nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde
achtereenvolgens:
a. de niet van tafel
en bed gescheiden echtgenoot van de erflater
tezamen met diens kinderen;
b. de ouders van de
erflater tezamen met diens broers en zusters;
c. de grootouders van
de erflater;
d. de overgrootouders
van de erflater.
2.
De afstammelingen van een
kind, broer, zuster, grootouder of
overgrootouder worden bij plaatsvervulling
geroepen.
3.
Alleen zij die tot de
erflater in familierechtelijke betrekking
stonden, worden tot de in de vorige leden
genoemde bloedverwanten gerekend.
Artikel 11
1.
Degenen die tezamen uit eigen
hoofde tot een nalatenschap worden geroepen,
erven voor gelijke delen.
2.
In afwijking van lid 1 is het
erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft
van het erfdeel van een volle broer, een volle
zuster of een ouder.
3.
Wanneer het erfdeel van een
ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder
zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd
tot een kwart en worden de erfdelen van de
overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd.
Artikel 12
1.
Plaatsvervulling geschiedt
met betrekking tot personen die op het ogenblik
van het openvallen van de nalatenschap niet meer
bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of
verwerpen of wier erfrecht is vervallen.
2.
Zij die bij plaatsvervulling
erven, worden staaksgewijze geroepen tot het
erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen.
3.
Degenen die de erflater
verder dan de zesde graad bestaan, erven niet.
Titel 3. Het erfrecht bij
versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen alsmede andere
wettelijke rechten
Afdeling 1. Het erfrecht bij
versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen
Artikel 13
1.
De nalatenschap van de
erflater die een echtgenoot en een of meer
kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt,
tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking
heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten
toepassing blijft, overeenkomstig de volgende
leden verdeeld.
2.
De echtgenoot verkrijgt van
rechtswege de goederen van de nalatenschap. De
voldoening van de schulden van de nalatenschap
komt voor zijn rekening. Onder schulden van de
nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten
laste van de gezamenlijke erfgenamen komende
uitgaven ter voldoening aan testamentaire
lasten.
3.
Ieder van de kinderen
verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een
geldvordering ten laste van de echtgenoot,
overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Deze vordering is opeisbaar:
a. indien de
echtgenoot in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard;
b. wanneer de
echtgenoot is overleden.
De vordering is ook
opeisbaar in door de erflater bij uiterste
wilsbeschikking genoemde gevallen.
4.
De in lid 3 bedoelde geldsom
wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot
en het kind tezamen, anders hebben bepaald,
vermeerderd met een percentage dat overeenkomt
met dat van de wettelijke rente, voor zover dit
percentage hoger is dan zes, berekend per jaar
vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, bij welke berekening telkens
uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt
genomen.
5.
Is de vordering, bedoeld in
lid 3, opeisbaar geworden doordat ten aanzien
van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan is de vordering, voor zover zij
onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet wederom niet
opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de
vordering geen toepassing.
6.
In deze titel wordt onder
echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed
gescheiden echtgenoot.
Artikel 14
1.
Indien de nalatenschap
overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de
echtgenoot van de erflater tegenover de
schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht
tot voldoening van de schulden der
nalatenschaip. In de onderlinge verhouding van
de echtgenoot en de kinderen komen de schulden
der nalatenschap voor rekening van de
echtgenoot.
2.
Voor schulden van de
nalatenschap, alsmede voor schulden van de
echtgenoot die konden worden verhaald op de
goederen van een gemeenschap waarvan de
echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren,
neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de
goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de
echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die
verhaal nemen voor andere schulden van de
echtgenoot.
3.
Voor schulden van de
nalatenschap kunnen de goederen van een kind
niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de
in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering.
Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor
zover de geldvordering van het kind is
verminderd door betaling of door overdracht van
goederen, tenzij het kind goederen van de
echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal
bieden.
4.
De uit lid 1, tweede zin,
voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot
geldt mede wanneer de schulden van de
nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd
artikel 184 lid 2.
Artikel 15
1.
Voor zover de erfgenamen over
de vaststelling van de omvang van de in artikel
13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot
overeenstemming kunnen komen, wordt deze op
verzoek van de meest gerede partij door de
kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot
en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
2.
Indien bij de vaststelling
van de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering:
a. omtrent de waarde
van de goederen en de schulden van de
nalatenschap is gedwaald en daardoor een
erfgenaam voor meer dan een vierde is
benadeeld,
b. het saldo van de
nalatenschap anderszins onjuist is berekend,
dan wel
c. de geldvordering
niet is berekend overeenkomstig het deel
waarop het kind aanspraak kon maken,
wordt de vaststelling op
verzoek van een kind of de echtgenoot
dienovereenkomstig door de kantonrechter
gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent
verdeling is bepaald in de artikelen 196 leden
2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing.
3.
Bij de vaststelling van de
geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met
233 van overeenkomstige toepassing.
4.
De artikelen 187 en 188 van
Boek 3 zijn op de vaststelling van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.
De echtgenoot en ieder kind
kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving
wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een
waardering van de goederen en de schulden van de
nalatenschap.
2.
Heeft de echtgenoot of een
kind niet het vrije beheer over zijn vermogen,
dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger
binnen een jaar na het overlijden van de
erflater een ter bevestiging van haar
deugdelijkheid door hem ondertekende
boedelbeschrijving in ter griffie van de
rechtbank van de woonplaats van de echtgenoot
onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan
bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële
akte dient te geschieden.
3.
Op de boedelbeschrijving en
de waardering zijn de artikelen 673 tot en met
676 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De echtgenoot en ieder kind zijn voor de
toepassing van de in de vorige volzin genoemde
bepalingen partij bij de boedelbeschrijving.
4.
De echtgenoot en ieder kind
hebben jegens elkaar recht op inzage in en
afschrift van alle bescheiden en andere
gegevensdragers, die zij voor de vaststelling
van hun aanspraken behoeven. De daartoe
strekkende inlichtingen worden door hen
desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar
gehouden tot medewerking aan de verstrekking van
inlichtingen door derden.
Artikel 17
1.
De echtgenoot kan, behoudens
het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel
13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in lid 4
van dat artikel bedoelde verhoging te allen
tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een
betaling wordt in de eerste plaats in mindering
gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de
verhoging, tenzij de erflater, dan wel de
echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben
bepaald.
2.
Indien een kind een
bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek
als bedoeld in artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de
echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot
voldoening dan na te hebben gehandeld
overeenkomstig artikel 25 lid 3.
3.
Is het in lid 2 bedoelde kind
minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet
het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft
de voldoening de goedkeuring van de
kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van
artikel 26 lid 1.
Artikel 18
1.
De echtgenoot kan binnen drie
maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, door middel van een verklaring bij
notariële akte, binnen die termijn gevolgd door
inschrijving in het boedelregister, de verdeling
overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In
naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts
krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven
schriftelijke volmacht worden afgelegd.
2.
De verklaring werkt terug tot
het tijdstip van het openvallen der
nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid
1 genoemde termijn verkregen rechten van derden,
mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden
geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het
afleggen van de verklaring op de voet van
artikel 13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden
deze tussen de echtgenoot en de kinderen
verrekend.
3.
De omstandigheid dat de
echtgenoot onder curatele staat of dat de
goederen die deze uit de nalatenschap van de
erflater verkrijgt onder een bewind vallen,
staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde
bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt
alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die
voor de curatele onderscheidenlijk het
desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot
in staat van faillissement verklaard, is ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend,
dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de
curator, door de bewindvoerder,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met
medewerking van de bewindvoerder.
4.
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1
is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn
van drie maanden vanaf de dag waarop de
beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1
onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1,
in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 19
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van
zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die
ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen
opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat
artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt,
tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 20
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van
zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de
langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was,
is de stiefouder verplicht aan het kind op diens
verzoek goederen over te dragen met een waarde van
ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in
lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de
nalatenschap van de langstlevende ouder niet
overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de in
de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen
van de langstlevende ouder.
Artikel 21
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn
overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat
artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt,
tenzij de stiefouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 22
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn
overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is
overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het
kind op diens verzoek goederen over te dragen met
een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde
verhoging.
Artikel 23
1.
Op het in de artikelen 19 en
21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van
titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien
verstande dat:
a. de echtgenoot is
vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als
bedoeld in artikel 205 lid 4, alsmede van
het stellen van zekerheid als bedoeld in
artikel 206 lid 1, en artikel 206 lid 2 niet
van toepassing is;
b. een machtiging als
bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan
worden voor zover de verzorgingsbehoefte van
de echtgenoot of de nakoming van zijn
verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid
2 dit nodig maakt.
2.
De kantonrechter kan op de in
lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de
echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of
gedeeltelijke vervreemding en vertering als
bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De
hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen.
Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
3.
In afwijking van de eerste
zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van
artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de
hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot
anders overeenkomt, op het tijdstip van
vervreemding een vordering op de echtgenoot ter
grootte van de waarde die het goed op dat
tijdstip had. Op de vordering zijn de leden 3 en
4 van artikel 13 en lid 1 van artikel 15 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde
vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip
van het ontstaan van de vordering.
4.
Bij de vestiging van het
vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen
worden getroffen door de echtgenoot en de
hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter
op verzoek van een van hen.
5.
De echtgenoot is niet bevoegd
het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.
6.
Het vruchtgebruik kan niet
worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op
de daaraan onderworpen goederen verhalen ter
zake van schulden van de nalatenschap of
schulden van de echtgenoot die konden worden
verhaald op de goederen van een gemeenschap
waarvan de echtgenoot en de erflater de
deelgenoten waren. In geval van zodanige
uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van
toepassing.
Artikel 24
1.
De in de artikelen 19, 20, 21
en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van
de nalatenschap van de erflater of van de door
diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap.
In afwijking van de eerste zin heeft de in de
artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot
overdracht geen betrekking op goederen die van
de zijde van de stiefouder in de
huwelijksgemeenschap met de erflater zijn
gevallen.
2.
De in de artikelen 19, 20, 21
en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft mede goederen die in de plaats zijn
gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1,
eerste zin. Indien een goed is verkregen met
middelen die voor minder dan de helft afkomstig
zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of
ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet
onder de in de eerste zin bedoelde verplichting.
Is een goed mede met middelen uit een lening
verkregen, dan blijven deze middelen voor de
toepassing van de tweede zin buiten beschouwing.
3.
Een goed dat behoort tot het
vermogen van degene die tot overdracht is
verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin
deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben
uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde
nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap
of voor zodanig goed in de plaats te zijn
gekomen.
Artikel 25
1.
De waarde van de over te
dragen goederen, vast te stellen naar het
tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste
plaats in mindering gebracht op de aan het kind
verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de
verhoging, tenzij door de erflater of bij de
overdracht anders is bepaald. Voor de toepassing
van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de
goederen vastgesteld zonder daarbij het
vruchtgebruik in aanmerking te nemen.
2.
Een kind dat voornemens is
een in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld
verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen
die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een
zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te
stellen dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens
een verzoek te doen.
3.
Degene die tot overdracht van
goederen verplicht kan worden, kan een kind een
redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek
als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 kan
worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt
hij ook de andere kinderen die een zodanig
verzoek kunnen doen, daarvan in kennis.
4.
Bestaat tussen degene die tot
overdracht van goederen verplicht is en het
kind, of tussen twee of meer kinderen geen
overeenstemming over de overdracht van een goed,
dan beslist op verzoek van een hunner de
kantonrechter, rekening houdende naar
billijkheid met de belangen van ieder van hen.
5.
Voor zover een kind de in
artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een
andere persoon overdraagt, gaat de in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde bevoegdheid
teniet.
6.
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken
of opheffen.
Artikel 26
1.
Indien een minderjarig kind
een bevoegdheid heeft als in de artikelen 19,
20, 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke
vertegenwoordiger binnen drie maanden na het
verkrijgen van de bevoegdheid aan de
kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met
betrekking tot de uitoefening van die
bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen
wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze
termijn vanaf de dag van de benoeming. De
kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het
voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van
het kind, de andere kinderen aan wie de
bevoegdheid eveneens toekomt en van degene
jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan
de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig
neemt de kantonrechter een eigen beslissing.
2.
Hetzelfde geldt indien het
kind meerderjarig is doch het vrije beheer over
zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13
lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind,
dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid
uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor
het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in
staat van faillissement verklaard, is ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend,
dan rust de verplichting op de curator, op de
bewindvoerder, onderscheidenlijk op het kind met
medewerking van de bewindvoerder.
3.
Indien met goedkeuring van de
kantonrechter is afgezien van het doen van een
verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21
en 22, kan zodanig verzoek nadien niet alsnog
worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de
kantonrechter anders bepalen.
Artikel 27
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater bepalen dat een stiefkind in een
verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind
wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van
toepassing, behoudens voor zover de erflater anders
heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind
worden bij plaatsvervulling geroepen.
Afdeling 2. Andere wettelijke
rechten
Artikel 28
1.
Indien de woning die de
echtgenoot van de erflater bij diens overlijden
bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoort of de erflater,
anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam,
is de echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd
tot voortzetting van de bewoning gedurende een
termijn van zes maanden onder gelijke
voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op
gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot
voortzetting van het gebruik van de inboedel,
voor zover die tot de nalatenschap of de
ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de
erflater ten gebruike toekwam.
2.
Jegens de erfgenamen en de
echtgenoot van de erflater hebben degenen die
tot diens overlijden met hem een duurzame
gemeenschappelijke huishouding hadden,
overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot
het gebruik van de woning en de inboedel die tot
de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoren.
Artikel 29
1.
Voor zover de echtgenoot van
de erflater tengevolge van uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet
enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap
van de erflater behorende woning, die ten tijde
van het overlijden door de erflater en zijn
echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen
bewoond werd, of op de tot de nalatenschap
behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen
verplicht tot medewerking aan de vestiging van
een vruchtgebruik op die woning en die inboedel
ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze
dit van hen verlangt. De eerste zin geldt niet
voor zover de kantonrechter op een daartoe
strekkend verzoek artikel 33 lid 2, onder a,
heeft toegepast.
2.
Zolang de echtgenoot een
beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet
bevoegd tot beschikking over die goederen, noch
tot verhuring of verpachting daarvan; gedurende
dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts
worden uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1
onder a tot en met f genoemde schulden.
3.
De leden 1 en 2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en
de door een testamentaire last bevoordeelden met
betrekking tot de goederen die zij als zodanig
uit de nalatenschap hebben verkregen.
Artikel 30
1.
De erfgenamen zijn verplicht
tot medewerking aan de vestiging van een
vruchtgebruik op andere goederen van de
nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten
behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor
zover de echtgenoot daaraan, de omstandigheden
in aanmerking genomen, voor zijn verzorging –
daaronder begrepen de nakoming van de
overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende
verplichtingen – behoefte heeft en die
medewerking van hen verlangt.
2.
Lid 1 is mede van toepassing
met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in
de plaats te zijn gekomen van goederen van de
nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van
toepassing op een geldvordering als bedoeld in
artikel 13 lid 3, indien de erflater bij
uiterste wilsbeschikking de gronden voor
opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een
vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld
in de tweede zin eindigt in elk geval indien de
echtgenoot in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard. In het laatstbedoelde
geval herleeft door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik
op de vordering, voorzover deze onvoldaan is
gebleven. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de
vordering geen toepassing.
3.
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en
de door een testamentaire last bevoordeelden met
betrekking tot de goederen die zij als zodanig
uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder
goederen als bedoeld in de eerste zin worden
mede begrepen ingevolge een legaat of een
testamentaire last verkregen geldsommen en
beperkte rechten op goederen van de
nalatenschap.
4.
De erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of
na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik
in aanmerking komen.
5.
Voor zover de erflater de in
het vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft
uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een
testamentaire last verkregen goederen slechts
voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking,
indien de overige goederen der nalatenschap tot
verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn.
Voor zover een making is te beschouwen als
voldoening aan een natuurlijke verbintenis van
de erflater, komt zij pas na de andere makingen
voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking.
6.
Voor zover de echtgenoot en
degenen die hun medewerking aan de vestiging van
het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot
overeenstemming kunnen komen over de goederen
waarop dit zal komen te rusten, gelast op
verzoek van een hunner de kantonrechter de
aanwijzing van die goederen of wijst hij deze
zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met
de belangen van ieder van hen.
7.
Bij de bepaling van de
behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de
echtgenoot toekomt, in mindering gebracht
hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit
de nalatenschap had kunnen verkrijgen met
uitzondering van het vruchtgebruik dat hij
ingevolge het vorige artikel had kunnen doen
vestigen. Voorts komt daarop in mindering
hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een
sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 31
1.
Op het vruchtgebruik
ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1,
2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige
toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden
ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de
daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake
van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1
onder a tot en met f. De uitwinning is echter
niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met
vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap
aanwijst die voldoende verhaal bieden.
2.
De mogelijkheid om aanspraak
te maken op vestiging van het vruchtgebruik
vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een
redelijke, hem door een belanghebbende gestelde
termijn, en uiterlijk voor de toepassing van
artikel 29 zes maanden en voor de toepassing van
artikel 30 een jaar na het overlijden van de
erflater heeft verklaard op de vestiging van het
vruchtgebruik aanspraak te maken.
3.
De rechtsvordering ingevolge
de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop van
een jaar en drie maanden na het openvallen der
nalatenschap.
4.
Heeft de erflater bij
uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de
bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht
van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een
vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in
afwijking van lid 2, de mogelijkheid om
ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op
vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door
verloop van drie maanden nadat op overdracht van
het goed aanspraak is gemaakt. In dat geval
verjaart de rechtsvordering tot vestiging van
het vruchtgebruik door verloop van een jaar en
drie maanden nadat op overdracht van het goed
aanspraak is gemaakt.
Artikel 32
De echtgenoot kan geen
aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik
ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een
procedure tot echtscheiding of tot scheiding van
tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer
dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap
was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding
van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van
de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen.
De eerste zin blijft buiten toepassing indien de
omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding
van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen
komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan
worden aangerekend.
Artikel 33
1.
De kantonrechter kan op
verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor
een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en
in vergelijking hiermede het belang van de
echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:
a. aan die
hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik
belast goed uit de nalatenschap, al dan niet
onder de last van het vruchtgebruik,
toedelen;
b. het vruchtgebruik
van een of meer goederen beëindigen;
c. aan het
vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de
echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen;
d. het vruchtgebruik
in het belang van de hoofdgerechtigde onder
bewind stellen.
2.
De kantonrechter kan,
onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan
het vruchtgebruik, de omstandigheden in
aanmerking genomen, voor zijn verzorging,
daaronder begrepen de nakoming van de
overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende
verplichtingen, geen behoefte heeft:
a. op verzoek van een
rechthebbende de verplichting tot
medewerking aan de vestiging van het
vruchtgebruik opheffen, of
b. op verzoek van een
hoofdgerechtigde het vruchtgebruik
beëindigen.
3.
De andere rechthebbenden
worden in het geding geroepen. Bij zijn
beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
4.
Een rechthebbende kan te
allen tijde, ter afwering van een vordering of
andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming
van een verplichting tot medewerking aan de
vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in
rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor
opheffing van die verplichting.
5.
De kantonrechter houdt bij de
toepassing van lid 2 in ieder geval rekening
met:
a. de leeftijd van de
echtgenoot;
b. de samenstelling
van de huishouding waartoe de echtgenoot
behoort;
c. de mogelijkheden
van de echtgenoot om zelf in de verzorging
te voorzien door middel van arbeid,
pensioen, eigen vermogen dan wel andere
middelen of voorzieningen;
d. hetgeen in de
gegeven omstandigheden als een passend
verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan
worden beschouwd.
Artikel 34
1.
Voor zover de nalatenschap
niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de
echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30
toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de
daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige
toepassing van artikel 89, leden 2 en 3, en
artikel 90, leden 1 en 3. De artikelen 66, 68 en
69 zijn van overeenkomstige toepassing.
Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting
niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich
verhalen op hetgeen een legitimaris door
inkorting heeft verkregen.
2.
De echtgenoot verkrijgt door
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid
1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de
inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal
heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de
leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van
overeenkomstige toepassing.
3.
Zo nodig kan het
vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken
over alle goederen der nalatenschap en alle
geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften
kunnen worden ingekort.
4.
Geschillen over de toepassing
van het onderhavige artikel en de artikelen 35
tot en met 37 worden op verzoek van de meest
gerede partij beslist door de kantonrechter.
Artikel 35
1.
Een kind van de erflater, een
kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1
daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een
som ineens, voor zover deze nodig is voor:
a. zijn verzorging en
opvoeding tot het bereiken van de leeftijd
van achttien jaren; en voorts voor:
b. zijn
levensonderhoud en studie tot het bereiken
van de leeftijd van een en twintig jaren.
2.
De som ter zake van de
verzorging en opvoeding komt het kind niet toe,
voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de
erflater krachtens wet of overeenkomst is
gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De
som ter zake van levensonderhoud en studie komt
het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van
de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1
verplicht is om in de kosten daarvan te
voorzien.
3.
Op de som ineens komt in
mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen
verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een
sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 36
1.
Een kind, stiefkind,
pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de
erflater dat in diens huishouding of in het door
hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende
zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht
zonder een voor die arbeid passende beloning te
ontvangen, kan aanspraak maken op een som
ineens, strekkend tot een billijke vergoeding.
2.
Op de som komt in mindering
hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft
ontvangen of krachtens making of
sommenverzekering op het leven van de erflater
verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover
dat als een beloning voor zijn werkzaamheden kan
worden beschouwd.
Artikel 37
1.
Degene die krachtens de
artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som
ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke
erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te
maken op een som ineens vervalt, indien de
rechthebbende niet binnen een redelijke, hem
door een belanghebbende gestelde termijn, en
uiterlijk negen maanden na het overlijden van de
erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens
wenst te ontvangen.
2.
De vordering is niet
opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na
het overlijden van de erflater.
3.
De rechtsvordering verjaart
door verloop van een jaar na het overlijden van
de erflater. Indien die erflater een echtgenoot
achterlaat, wordt voor degene die krachtens
artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft
gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na
het overlijden van die echtgenoot.
4.
De sommen ineens bedragen
gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde
der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan
zij elk een evenredige vermindering. Onder de
waarde der nalatenschap wordt in dit artikel
verstaan de waarde van de goederen der
nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid
1 onder a tot en met e vermelde schulden.
5.
De voldoening van de sommen
ineens komt ten laste van het gedeelte der
nalatenschap waarover niet bij uiterste
wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo
dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87
lid 2, tweede zin, is op een inkorting van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1.
Op verzoek van een kind of
stiefkind van de erflater kan de kantonrechter,
mits daardoor een zwaarwegend belang van het
kind of stiefkind wordt gediend en in
vergelijking hiermede het belang van de
rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de
rechthebbende verplichten tot overdracht tegen
een redelijke prijs aan het kind of stiefkind,
dan wel diens echtgenoot, van de tot de
nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behorende goederen die
dienstbaar waren aan een door de erflater
uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind
of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt
voortgezet. Bij zijn beschikking kan de
kantonrechter nadere regelingen treffen.
2.
Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van
aandelen in een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder
was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen
hield, indien het kind of stiefkind, dan wel
diens echtgenoot ten tijde van het overlijden
bestuurder van die vennootschap is of nadien die
positie van de erflater voortzet.
3.
Het vorige lid is slechts van
toepassing voor zover de statutaire regels
omtrent overdracht van aandelen zich daartegen
niet verzetten.
4.
Het recht om een verzoek als
bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na
verloop van een jaar na het overlijden van de
erflater.
5.
De leden 1 tot en met 4 zijn
van overeenkomstige toepassing ingeval de
echtgenoot van de erflater een door de erflater
uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook
indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het
vruchtgebruik van de desbetreffende goederen
heeft of kan verkrijgen.
Artikel 39
Degene aan wie een in de
artikelen 29 tot en met 33, 35, 36 en 38 bedoeld
recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft dezelfde
bevoegdheden als in artikel 78 aan een legitimaris
worden toegekend.
Artikel 40
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is
toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van
artikel 28, de leden 2 en 3 van artikel 31, de
tweede zin van het eerste lid, de eerste zin van het
tweede lid en de eerste zin van het derde lid van
artikel 37, alsmede het vierde lid van artikel 38
vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in
artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid
1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 41
Bij uiterste wilsbeschikking
kan van het in deze afdeling bepaalde niet worden
afgeweken.
Titel 4. Uiterste willen
Afdeling 1. Uiterste
wilsbeschikkingen in het algemeen
Artikel 42
1.
Een uiterste wilsbeschikking
is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een
erflater een beschikking maakt, die eerst werkt
na zijn overlijden en die in dit Boek is
geregeld of in de wet als zodanig wordt
aangemerkt.
2.
De erflater kan een uiterste
wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.
3.
Een uiterste wilsbeschikking
kan alleen bij uiterste wil en slechts door de
erflater persoonlijk worden gemaakt en
herroepen.
Artikel 43
1.
Een uiterste wilsbeschikking
is niet vatbaar voor vernietiging op de grond
dat zij door misbruik van omstandigheden is tot
stand gekomen.
2.
Een uiterste wilsbeschikking,
gemaakt onder invloed van een onjuiste
beweegreden, is slechts dan vernietigbaar,
wanneer de door de erflater ten onrechte
veronderstelde omstandigheid die zijn
beweegreden tot de beschikking is geweest, in de
uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de
beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij
van de onjuistheid dier veronderstelling had
kennis gedragen.
3.
Een uiterste wilsbeschikking
kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een
onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer
de erflater haar heeft bevestigd nadat de
invloed van de bedreiging heeft opgehouden te
werken of het bedrog of de onjuistheid van de
beweegreden is ontdekt.
Artikel 44
1.
Een uiterste wilsbeschikking
waarvan de inhoud in strijd is met de goede
zeden of de openbare orde, is nietig.
2.
Eveneens is een uiterste
wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in
de uiterste wil vermelde beweegreden die in
strijd is met de goede zeden of de openbare
orde, beslissend is geweest.
Artikel 45
1.
Een voorwaarde of een last
die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd
is met de goede zeden, de openbare orde of een
dwingende wetsbepaling, wordt voor niet
geschreven gehouden. De beschikking waaraan de
voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig,
indien deze de beslissende beweegreden tot die
beschikking is geweest.
2.
Een voorwaarde of last die de
strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding
of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt
voor niet geschreven gehouden.
Artikel 46
1.
Bij de uitlegging van een
uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet
op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk
wenst te regelen, en op de omstandigheden
waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2.
Daden of verklaringen van de
erflater buiten de uiterste wil mogen slechts
dan voor uitlegging van een beschikking worden
gebruikt, indien deze zonder die daden of
verklaringen geen duidelijke zin heeft.
3.
Wanneer een erflater zich
klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon
of een goed heeft vergist, wordt de beschikking
naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer
gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig
met behulp van de uiterste wil of met andere
gegevens kan worden vastgesteld.
Artikel 47
Wanneer de uitvoering van een
beschikking, anders dan als gevolg van een na het
overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid,
blijvend onmogelijk is, vervalt de beschikking,
zonder dat een andere beschikking daarvoor in de
plaats mag worden gesteld, tenzij de wet het
tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af
te leiden dat de erflater die andere beschikking zou
hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend
was geweest.
Artikel 48
Wanneer in eenzelfde uiterste
wil twee of meer personen tot hetzelfde, al of niet
voor bepaalde delen, zijn geroepen en de beschikking
ten opzichte van een geroepene geen gevolg heeft,
vindt ten behoeve van de overigen aanwas naar
evenredigheid van de hun toekomende delen plaats,
tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af
te leiden.
Artikel 49
1.
Een ten laste van een
erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed,
of van een op een bepaald goed te vestigen
recht, vervalt indien het goed bij het
openvallen van de nalatenschap daartoe niet
behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af
te leiden dat de erflater de beschikking
niettemin heeft gewild.
2.
Kan in laatstgenoemd geval
degene op wie de verplichting rust, zich het
gelegateerde goed niet of slechts ten koste van
een onevenredig grote opoffering verschaffen,
dan is hij gehouden de waarde van het goed uit
te keren.
3.
Voor de toepassing van het
eerste lid wordt een goed geacht niet tot de
nalatenschap te behoren, indien de erflater tot
overdracht van het goed verplicht was en deze
verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan.
Artikel 50
1.
Tenzij de erflater anders
heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed
geleverd in de staat waarin het zich op het
ogenblik van overlijden van de erflater bevindt.
2.
Mitsdien is een erfgenaam
niet verplicht het vermaakte goed te bevrijden
van enig beperkt recht dat daarop is gevestigd.
3.
Is een vordering van de
erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van
de erflater op een goed van een erfgenaam, of
een goed van de erflater waarop een beperkt
recht van een erfgenaam is gevestigd
gelegateerd, dan vindt geen vermenging plaats,
tenzij het legaat wordt verworpen.
Artikel 51
1.
Wanneer een echtgenoot ten
laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een
bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft
vermaakt, kan de legataris levering van het
gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen,
voor zover het goed bij de verdeling van de
huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of
diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met
uitkering van de waarde van het goed. Deze
bevoegdheid komt ook toe aan de andere
echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens
erfgenamen.
2.
Het vorige lid is alleen van
toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het
ogenblik dat de beschikking werd gemaakt, nog
niet ontbonden was.
Artikel 52
Een beschikking, getroffen ten
voordele van degene met wie de erflater op het
tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd
was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt
door een daarna ingetreden echtscheiding of
scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste
wil zelf het tegendeel is af te leiden.
Artikel 53
Een uiterste wilsbeschikking
ten voordele van de naaste bloedverwanten of het
naaste bloed van de erflater, zonder nadere
aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten
voordele van de door de wet geroepen bloedverwanten
van de erflater naar evenredigheid van ieders
aandeel bij versterf.
Artikel 54
1.
Rechtsvorderingen tot
vernietiging van een uiterste wilsbeschikking
verjaren een jaar nadat de dood van de erflater
alsmede de uiterste wilsbeschikking en de
vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van
hem die een beroep op deze grond kan doen, dan
wel van zijn rechtsvoorganger.
2.
De bevoegdheid om ter
vernietiging van een uiterste wilsbeschikking
een beroep op een vernietigingsgrond te doen
vervalt buiten het geval bedoeld in artikel 51
lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de
dood van de erflater en de uiterste
wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van
degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel
van zijn rechtsvoorganger.
Afdeling 2. Wie uiterste
wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit
voordeel kunnen genieten
Artikel 55
1.
Behalve zij die
handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen
die de leeftijd van zestien jaren hebben
bereikt, en zij die op een andere grond dan
wegens een geestelijke stoornis onder curatele
zijn gesteld, uiterste wilsbeschikkingen maken.
2.
Hij die wegens een
geestelijke stoornis onder curatele staat, kan
slechts met toestemming van de kantonrechter
uiterste wilsbeschikkingen maken. De
kantonrechter kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden.
3.
De bekwaamheid van de
erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin
hij zich bevond op het ogenblik dat de
beschikking werd gemaakt.
Artikel 56
1.
Om aan een making een recht
te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het
ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten
uit een making ten voordele van een
rechtspersoon die voor dat ogenblik is
opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie
of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende
rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende
rechtspersoon waarvan de aan de akte van
splitsing gehechte beschrijving datbepaalt.
Indien aan de hand van de aan de akte van
splitsing gehechte beschrijving niet kan worden
bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de
rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon,
is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige
toepassing.
2.
Indien een erflater heeft
bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van
een ouder van de erflater nalaat, bij het
overlijden van de bevoordeelde of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan
bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen
dezen aan de making een recht, ook al bestonden
zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
3.
Heeft een erflater bepaald
dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het
overlijden van de bevoordeelde of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan een
afstammeling van een ouder van de erflater, en
tevens dat indien die afstammeling dat tijdstip
niet overleeft, diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze in diens plaats
zullen treden, dan verkrijgen dezen dit recht,
ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden
van de erflater.
4.
Indien een erflater heeft
bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem
nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder
tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan
zal ten deel vallen aan een dan bestaande
bloedverwant van de erflater in de erfelijke
graad, verkrijgt deze dit recht, ook al bestond
hij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Artikel 57
1.
Een erflater kan geen
uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van
degene die op het tijdstip van het maken van de
beschikking zijn voogd is.
2.
Hij die voogd van de erflater
is geweest, kan uit diens uiterste
wilsbeschikkingen geen voordeel genieten, indien
de erflater binnen het jaar na zijn meerderjarig
worden en voor het afleggen en sluiten van de
voogdijrekening is overleden.
3.
Het in de vorige leden
bepaalde is niet toepasselijk op bloedverwanten
van de erflater in de opgaande lijn, die zijn
voogden zijn of geweest zijn.
Artikel 58
Minderjarigen kunnen geen
uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van hun
leermeesters, met wie zij tezamen wonen.
Artikel 59
1.
De beroepsbeoefenaren op het
gebied van de individuele gezondheidszorg, die
iemand gedurende de ziekte waaraan hij is
overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de
geestelijk verzorgers die hem gedurende die
ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel
trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die
zodanig persoon gedurende de behandeling of de
bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.
2.
Ook kan degene die een voor
de verzorging of verpleging van bejaarden of
geestelijk gestoorden bestemde instelling
exploiteert of die daarvan de leiding heeft of
daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de
uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig
persoon gedurende een verblijf in die instelling
te zijnen behoeve heeft gemaakt.
Artikel 60
Van het in de twee voorgaande
artikelen bepaalde zijn uitgezonderd:
a. de beschikkingen
tot vergelding van bewezen diensten, bij
wijze van legaat gemaakt, met inachtneming
echter zowel van de gegoedheid van de maker,
als van de diensten die aan deze zijn
bewezen;
b. de beschikkingen
ten voordele van iemand die bloed- of
aanverwant tot de vierde graad of de
echtgenoot van de erflater is.
Artikel 61
De notaris of andere persoon,
die een uiterste wil of een akte van bewaargeving
van een niet gesloten aangeboden onderhandse
uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die
daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niet bij
die uiterste wil worden bevoordeeld.
Artikel 62
1.
Een uiterste wilsbeschikking
die in strijd is met het in de artikelen 57–61
bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging
vindt slechts plaats voor zover deze nodig is
tot opheffing van het nadeel van degene die zich
op de vernietigingsgrond beroept.
2.
Een beschikking ten behoeve
van een tussenbeidekomende persoon is op gelijke
wijze vernietigbaar als een ten behoeve van de
uitgesloten persoon zelf.
3.
De vader, de moeder, de
afstammelingen en de echtgenoot van een
uitgesloten persoon worden geacht
tussenbeidekomende personen te zijn, behalve
wanneer zij bloedverwant in de rechte lijn of
echtgenoot van de erflater zijn.
4.
Indien een legataris in
verband met een krachtens de vorige leden
vernietigbaar legaat gehouden is een
tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van
Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Legitieme portie
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 63
1.
De legitieme portie van een
legitimaris is het gedeelte van de waarde van
het vermogen van de erflater, waarop de
legitimaris in weerwil van giften en uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan
maken.
2.
Legitimarissen zijn de
afstammelingen van de erflater die door de wet
als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden
geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij
plaatsvervulling met betrekking tot personen die
op het ogenblik van het openvallen der
nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig
zijn.
3.
De legitimaris die de
nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de
legitieme portie, tenzij hij bij het afleggen
van de verklaring bedoeld in artikel 191, tevens
verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te
ontvangen.
Artikel 64
1.
De legitieme portie van een
kind van de erflater bedraagt de helft van de
waarde waarover de legitieme porties worden
berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10
lid 1 onder a genoemde, door de erflater
achtergelaten personen.
2.
Afstammelingen van een kind
van de erflater dat op het ogenblik van het
openvallen van de nalatenschap niet meer
bestaat, worden voor de toepassing van het
eerste lid tezamen als een door de erflater
achtergelaten kind geteld. Afstammelingen van
een kind van de erflater die legitimaris zijn,
kunnen ieder slechts voor hun deel opkomen.
Paragraaf 2. De omvang van de
legitieme portie
Artikel 65
De legitieme porties worden
berekend over de waarde van de goederen der
nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de
bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en
verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid
1 onder a tot en met c en f. Buiten beschouwing
blijven giften waaruit schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan..
Artikel 66
1.
Voor de toepassing van deze
afdeling worden giften gewaardeerd naar het
tijdstip van de prestatie, behoudens het in de
volgende leden bepaalde. Met een mogelijkheid
dat de erflater de gift had kunnen herroepen
wordt geen rekening gehouden.
2.
Giften waarbij de erflater
zich het genot van het geschonkene gedurende
zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften
van een voordeel bestemd om pas na zijn
overlijden ten volle te worden genoten, worden
geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn
overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van
prestaties die de erflater bij zijn overlijden
nog niet had verricht, met dien verstande dat
met deze giften, evenals met de uit dien hoofde
nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden
voor zover de nalatenschap niet toereikend is.
Een gift die bestaat in de aanwijzing van een
begunstigde bij sommenverzekering, wordt in
aanmerking genomen tot haar waarde
overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek
7.
3.
Giften, bestaande in de
vervreemding van een goed door de erflater tegen
verschaffing door de wederpartij van een aan het
leven van de erflater gebonden recht, worden
gewaardeerd als een gift van dat goed,
verminderd met de waarde van de door de erflater
ontvangen of hem bij zijn overlijden nog
verschuldigde prestaties, voor zover deze niet
bestonden in genot van dat goed.
Artikel 67
Bij de berekening van de
legitieme porties worden de volgende door de
erflater gedane giften in aanmerking genomen:
a. giften die
kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het
vooruitzicht dat daardoor legitimarissen
worden benadeeld;
b. giften die de
erflater gedurende zijn leven te allen tijde
had kunnen herroepen of die hij bij de gift
voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een
voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden
ten volle te worden genoten;
d. giften, door de
erflater aan een afstammeling gedaan, mits
deze of een afstammeling van hem legitimaris
van de erflater is;
e. andere giften, voor
zover de prestatie binnen vijf jaren voor
zijn overlijden is geschied.
Artikel 68
Giften van de erflater aan
zijn echtgenoot worden voor de toepassing van deze
afdeling buiten beschouwing gelaten voor zover zich,
ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin
de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift
gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen op
dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking
ten koste van het vermogen van de gever heeft
voorgedaan.
Artikel 69
1.
Voor de toepassing van deze
afdeling worden niet als giften beschouwd:
a. giften aan personen
ten aanzien van wie de erflater moreel
verplicht was bij te dragen in hun onderhoud
tijdens zijn leven of na zijn dood, voor
zover zij als uitvloeisel van die
verplichting zijn aan te merken en in
overeenstemming waren met het inkomen en het
vermogen van de erflater;
b. gebruikelijke
giften voor zover zij niet bovenmatig waren.
2.
Lid 1 is niet van toepassing
op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder
i.
Artikel 70
1.
De waarde van giften, door de
erflater aan een legitimaris gedaan, komt in
mindering van diens legitieme portie.
2.
Voor de toepassing van het
vorige lid worden giften aan een afstammeling
die legitimaris zou zijn geweest indien hij de
erflater had overleefd of niet onwaardig was
geweest, aangemerkt als giften aan de van hem
afstammende legitimarissen, naar evenredigheid
van hun legitieme portie.
3.
Met een gift wordt
gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt
of kan verkrijgen uit een door de erflater ter
nakoming van een natuurlijke verbintenis
gesloten sommenverzekering die geen
pensioenverzekering is en die door het
overlijden van de erflater tot uitkering komt.
Artikel 71
De waarde van al hetgeen een
legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in
mindering van zijn legitieme portie.
Artikel 72
De waarde van hetgeen een
legitimaris als erfgenaam kan verkrijgen, komt ook
in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij
de nalatenschap verwerpt, tenzij
a. de goederen onder
een voorwaarde, een last of een bewind zijn
nagelaten, of
b. ten laste van de
legitimaris legaten zijn gemaakt die
verplichten tot iets anders dan betaling van
een geldsom of overdracht van goederen der
nalatenschap, en de verwerping binnen drie
maanden na het overlijden van de erflater
geschiedt.
Artikel 73
1.
De waarde van een legaat aan
een legitimaris van een bepaalde geldsom of van
niet in een vorderingsrecht bestaande goederen
der nalatenschap komt ook in mindering van zijn
legitieme portie wanneer hij het legaat
verwerpt, tenzij
a. het legaat onder
een voorwaarde, een last of een bewind is
gemaakt, of
b. ten laste van de
legitimaris sublegaten zijn gemaakt die
verplichten tot iets anders dan betaling van
een geldsom, of
c. het legaat later
dan zes maanden na het overlijden van de
erflater, of indien de legitimaris
mede-erfgenaam is, pas na de verdeling der
nalatenschap opeisbaar wordt, of
d. het legaat ten
laste komt van een of meer erfgenamen wier
erfdelen ontoereikend zijn om het legaat
daaruit te voldoen, en de verwerping binnen
drie maanden na het overlijden van de
erflater geschiedt.
2.
Heeft de erflater de in
artikel 125 lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd
aan een legitimaris, dan kan deze het legaat
binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater verwerpen, zonder dat de waarde ervan
in mindering komt van zijn legitieme portie.
Artikel 74
1.
De contante waarde van een
aan een legitimaris gemaakt legaat van een in
termijnen te betalen geldsom komt ook bij
verwerping in mindering van zijn legitieme
portie, indien in de uiterste wil is vermeld dat
zonder deze beschikking de voortzetting van een
beroep of bedrijf van de erflater in ernstige
mate zou worden bemoeilijkt. Met een beroep of
bedrijf van de erflater wordt gelijkgesteld een
onderneming, gedreven door een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater
bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen
hield.
2.
Is de vermelde grond onjuist,
dan kan de legitimaris binnen drie maanden na
het overlijden van de erflater verklaren dat hij
betaling van de contante waarde ineens verlangt.
Degene die de juistheid van de grond staande
houdt, moet haar bewijzen. Is de opgegeven grond
juist, doch laat deze een snellere afbetaling
toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het
legaat in die zin wijzigen.
3.
Indien de legitimaris zulks
binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater verzoekt, kan de kantonrechter de met
het legaat belaste personen bevelen zekerheid te
stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de
aard van de zekerheid vast. Wordt daaraan niet
voldaan binnen de door de kantonrechter daarvoor
gestelde termijn, dan komt het legaat niet in
mindering van zijn legitieme portie indien de
legitimaris het alsnog verwerpt.
Artikel 75
1.
De waarde van hetgeen een
legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan
verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering
van zijn legitieme portie, indien het bewind is
ingesteld op de in de uiterste wil vermelde
grond:
a. dat de legitimaris
ongeschikt of onmachtig is in het beheer te
voorzien, of
b. dat zonder bewind
de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers
zouden ten goede komen.
2.
De legitimaris die de
nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is
gedurende drie maanden na het overlijden van de
erflater bevoegd de juistheid van de opgegeven
grond te betwisten; alsdan moet degene die haar
staande houdt haar bewijzen. Is de opgegeven
grond juist, doch rechtvaardigt dit de door de
erflater vastgestelde regels van het bewind
niet, dan kan de rechter die regels wijzigen of
zelfs ten dele opheffen.
3.
Is vermelde grond onjuist,
dan kan de legitimaris binnen een maand nadat de
uitspraak waarbij de onjuistheid is vastgesteld,
in kracht van gewijsde is gegaan, schriftelijk
aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn
legitieme in geld wenst te ontvangen. De
bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind
gestelde met overeenkomstige toepassing van
artikel 147 voor zover nodig te gelde; het
restant van de goederen keert hij uit aan
degenen aan wie deze zouden zijn toegekomen
indien de legitimaris de nalatenschap of het
legaat had verworpen.
4.
Staan goederen onder bewind
waarvan de waarde krachtens artikel 70 in
mindering van de legitieme komt en vermeldt de
akte waarbij het bewind is ingesteld een grond
als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3
van overeenkomstige toepassing. Vermeldt de akte
niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de
legitimaris aanspraak maken op ontvangst van
zijn legitieme in geld op de wijze als voorzien
in lid 3, met dien verstande dat de aldaar
bedoelde verklaring binnen drie maanden na het
overlijden van de erflater moet worden afgelegd.
5.
Bij de vaststelling van de op
de legitieme portie toe te rekenen waarde wordt
met het bewind slechts rekening gehouden, indien
de vermelde grond onjuist is verklaard doch de
legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid
3, eerste zin, verleende bevoegdheid.
Artikel 76
Bij de vaststelling van de
waarde van hetgeen overeenkomstig de artikelen 70
tot en met 75 op de legitieme portie in mindering
komt, wordt geen rekening gehouden met het
vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2
van titel 3 kan komen te rusten.
Artikel 77
De in de artikelen 72, 73 lid
1, laatste zinsnede, en lid 2, 74 leden 2 en 3 en 75
leden 2 en 4 bedoelde termijnen kunnen door de
kantonrechter een of meermalen op grond van
bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs
nadat de termijn reeds was verlopen.
Artikel 78
1.
Een legitimaris die niet
erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met
het beheer der nalatenschap belaste executeurs
aanspraak maken op inzage en een afschrift van
alle bescheiden die hij voor de berekening van
zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken
hem desverlangd alle daartoe strekkende
inlichtingen.
2.
Op zijn verzoek kan de
kantonrechter een of meer der erfgenamen en met
het beheer der nalatenschap belaste executeurs
doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de
boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de
verzoeker onder ede te bevestigen.
Paragraaf 3. Het geldend maken
van de legitieme portie
Artikel 79
Terzake van zijn legitieme
portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen:
a. op de gezamenlijke
erfgenamen dan wel de echtgenoot van de
erflater, door daarop aanspraak te maken
overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel
b. op een begiftigde,
door inkorting als bedoeld in artikel 89.
Artikel 80
1.
Een legitimaris die daarop
aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen hem
met inachtneming van de artikelen 70 tot en met
76 als legitieme portie toekomt, een vordering
in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel,
wanneer de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, op de als erfgenaam
achtergelaten echtgenoot van de erflater.
2.
De erfgenamen en, na
verdeling overeenkomstig artikel 13, de
echtgenoot zijn niet verplicht de vorderingen te
voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der
nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig
ondergaan de vorderingen elk een evenredige
vermindering. Onder de waarde van de
nalatenschap wordt hier verstaan de waarde van
de goederen van de nalatenschap, verminderd met
de in artikel 7 lid 1 onder a, b, c en f
vermelde schulden.
Artikel 81
1.
De vordering is niet
opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na
het overlijden van de erflater.
2.
Voor zover nodig in afwijking
van lid 1 is de vordering, indien de
nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel
13, opeisbaar indien:
a. de echtgenoot in
staat van faillissement is verklaard of ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard;
b. de echtgenoot is
overleden.
Voorzover de vordering ten
laste komt van een legaat aan een ander dan de
echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een
later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit
uit lid 1.
3.
Zolang goederen der
nalatenschap kunnen worden belast met een
vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel
30, is de vordering niet opeisbaar. Bij de
toepassing van de eerste zin blijft artikel 31
lid 4, eerste zin, buiten beschouwing.
4.
Zolang een vruchtgebruik
krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is
de vordering niet opeisbaar, voor zover de
echtgenoot daarvoor is verbonden. In geval van
faillissement van de echtgenoot of het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
wordt de vordering opeisbaar, voor zover de
echtgenoot daarvoor is verbonden.
5.
Voor zover voor de vordering
anderen dan de echtgenoot zijn verbonden, kan,
zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of
artikel 30 bestaat, van elk van die anderen
slechts het gedeelte van de vordering worden
opgeëist dat overeenkomt met het gedeelte dat
zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik
belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt
van de goederen van de nalatenschap.
6.
Is de vordering, bedoeld in
artikel 80 lid 1, opeisbaar geworden doordat ten
aanzien van de echtgenoot de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, dan is de vordering,
voor zover zij onvoldaan is gebleven, door
beëindiging van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op
grond van artikel 356 lid 2 van de
Faillissementswet wederom niet opeisbaar.
Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt
ten aanzien van de vordering geen toepassing.
Artikel 82
Een erflater kan aan een
uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet
van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde
verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor
zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot,
eerst opeisbaar is na diens overlijden. Een
voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan op
overeenkomstige wijze worden verbonden aan een
making ten behoeve van een andere levensgezel,
indien deze met de erflater een gemeenschappelijke
huishouding voert en een notarieel verleden
samenlevingsovereenkomst is aangegaan.
Artikel 83
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater de opeisbaarheid van de vordering
van de legitimaris, voorzover deze ten laste zou
komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede
zin, bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen
van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn
in de artikelen 81 lid 2 en 82.
Artikel 84
De vorderingen worden verhoogd
met een percentage dat overeenkomt met dat van de
wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is
dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop
aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij
welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in
aanmerking wordt genomen.
Artikel 85
1.
De mogelijkheid om aanspraak
te maken op de legitieme portie vervalt, indien
de legitimaris niet binnen een hem door een
belanghebbende gestelde redelijke termijn, en
uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de
erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme
portie wenst te ontvangen.
2.
Indien negen maanden na het
overlijden van de erflater niet vaststaat in
hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op
vestiging van een vruchtgebruik krachtens
artikel 30, vervalt het deel van de vordering
dat ten laste van de echtgenoot zou komen,
tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de
echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn
legitieme portie wenst te ontvangen. Artikel 77
is op deze termijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 86
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is
toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van
artikel 81 en de leden 1 en 2 van artikel 85 vanaf
de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417
lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek
1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 87
1.
De voldoening van de schulden
aan de legitimarissen komt als eerste ten laste
van het gedeelte der nalatenschap waarover de
erflater niet door erfstellingen of legaten
heeft beschikt. Erft een afstammeling van een
onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan
wordt voor de vordering van die legitimaris als
eerste het aan de afstammeling toekomende
gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij
uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.
2.
Indien inkorting
overeenkomstig lid 1 onvoldoende is, worden de
makingen ingekort. Tenzij uit de uiterste wil
iets anders voortvloeit, komen alle
erfstellingen en legaten gelijkelijk naar
evenredigheid van hun waarde voor inkorting in
aanmerking, met dien verstande dat voor zover
een making is te beschouwen als voldoening aan
een natuurlijke verbintenis van de erflater, zij
pas na de andere makingen voor inkorting in
aanmerking komt.
3.
Het gedeelte van de
nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en
zijn legitieme portie niet te boven gaat, kan in
afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste
worden ingekort. De inkorting van dat gedeelte
geschiedt alsdan, met vermindering van de
vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat
beide legitimarissen een zelfde evenredig deel
van hun legitieme porties verkrijgen.
4.
Inkorting van een legaat
geschiedt door een verklaring aan de legataris
door de met het legaat belaste erfgenamen of,
indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de
erflater. Artikel 120 lid 4, tweede zin, is van
overeenkomstige toepassing.
5.
Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van het erfdeel van
de echtgenoot of andere levensgezel van de
erflater en haar voldoening eerst kan worden
verlangd op een met toepassing van artikel 81
lid 2, 82 of 83 vast te stellen tijdstip, is de
echtgenoot of andere levensgezel daarvoor met
zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij
de nalatenschap beneficiair had aanvaard.
6.
Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van een aan de
echtgenoot of andere levensgezel gemaakt legaat
waaraan een voorwaarde als bedoeld in artikel 82
of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde
voorwaarde, door voldoening van het legaat en
een verklaring overeenkomstig lid 4 op de
echtgenoot of andere levensgezel te rusten.
7.
Voor de toepassing van dit
artikel wordt een last die strekt tot een
uitgave van geld of een goed uit de
nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat.
Artikel 88
Voor zover de vordering van de
legitimaris ingevolge artikel 81 lid 2 of een
voorwaarde als bedoeld in artikel 82 niet opeisbaar
is, is de echtgenoot of de andere levensgezel,
bedoeld in artikel 82, op verzoek van de legitimaris
verplicht tot voldoening voor hem van de belasting,
geheven ter zake van de verkrijging van zijn
vordering. De vordering van de legitimaris wordt
verminderd met het ingevolge de eerste zin voor de
legitimaris voldane bedrag.
Artikel 89
1.
Is hetgeen een legitimaris op
grond van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde
vordering kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn
legitieme portie te verschaffen, dan kan hij de
daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij
aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Bij de
bepaling van de vordering, bedoeld in de eerste
zin, wordt rekening gehouden met een eventuele
vermindering ingevolge de artikelen 80 lid 2 en
87 lid 3. Buiten beschouwing blijven de
verhoging, bedoeld in artikel 84, alsmede het
deel van de vordering dat ingevolge artikel 85
lid 2 is vervallen.
2.
Voor inkorting vatbaar zijn
de in artikel 67 bedoelde giften.
3.
Een gift komt voor inkorting
slechts in aanmerking, voor zover de legitimaris
zijn legitieme portie niet door inkorting van
jongere giften kan verkrijgen. Giften van een
voordeel bestemd om pas na het overlijden van de
erflater ten volle te worden genoten, worden
hierbij beschouwd als giften op het tijdstip van
zijn overlijden.
Artikel 90
1.
Inkorting van een gift
geschiedt door een verklaring aan de begiftigde.
Deze is verplicht de waarde van het ingekorte
gedeelte van de gift aan de legitimaris te
vergoeden, voor zover dit niet, alle
omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk
is.
2.
Een gift kan niet worden
ingekort voor zover zij in mindering van de
legitieme portie van een mede-legitimaris komt.
3.
De bevoegdheid van een
legitimaris tot inkorting van een gift vervalt
na verloop van een hem daarvoor door de
begiftigde gestelde redelijke termijn, en
uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de
erflater.
Artikel 91
1.
Indien de erflater makingen
of giften heeft gedaan aan een stiefkind, wordt
in afwijking van de artikelen 80 tot en met 89
op die makingen en giften niet ingekort,
behoudens voorzover de waarde daarvan hoger is
dan twee maal hetgeen de legitieme portie van
een kind van de erflater had belopen, indien de
door de erflater aldus bevoordeelde
stiefkinderen diens eigen kinderen waren
geweest. De in de eerste zin bedoelde waarde
wordt vermeerderd met de waarde van hetgeen
alsdan overeenkomstig artikel 70 lid 3 met een
gift gelijkgesteld zou worden.
2.
Voorzover voor de in artikel
80 bedoelde vordering van de legitimaris in
verband met lid 1 niet overeenkomstig artikel 87
kan worden ingekort, wordt deze verminderd.
3.
De erflater kan bij een gift
aan een stiefkind of bij uiterste
wilsbeschikking bepalen dat lid 1 geheel of ten
dele buiten toepassing blijft.
Artikel 92
1.
Na het overlijden van de
legitimaris komen zijn bevoegdheden toe aan hen
die tot zijn nalatenschap gerechtigd zijn.
2.
In het geval van
faillissement van de legitimaris of het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
kunnen zijn bevoegdheden worden uitgeoefend door
de curator in het faillissement
onderscheidenlijk de bewindvoerder in de
schuldsaneringsregeling.
3.
De bevoegdheden van een
legitimaris kunnen slechts tezamen met zijn
erfdeel worden overgedragen.
Afdeling 4. Vorm van uiterste
willen
Artikel 93
Een uiterste wil die bij
dezelfde akte door twee of meer personen is gemaakt,
is nietig.
Artikel 94
Behoudens hetgeen in de
artikelen 97-107 is bepaald, kan een uiterste wil
alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij
een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse
akte.
Artikel 95
1.
Een onderhandse uiterste wil
kan niet geldig worden gemaakt door hem die door
onkunde of door andere oorzaken niet in staat is
geweest de uiterste wil te lezen.
2.
Een bij onderhandse akte
gemaakte uiterste wil moet door de erflater zijn
ondertekend. Is de uiterste wil door een ander
dan de erflater of met mechanische middelen
geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één
bladzijde, dan moet iedere bladzijde zijn
genummerd en door de handtekening van de
erflater zijn gewaarmerkt.
3.
Een onderhandse uiterste wil
wordt door de erflater aan een notaris ter hand
gesteld. De erflater moet daarbij verklaren dat
het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en
dat aan de vereisten van het vorige lid is
voldaan. Indien het stuk gesloten wordt
aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding
tevens verklaren dat het stuk slechts mag worden
geopend, indien bepaalde door hem genoemde
voorwaarden op de dag van zijn overlijden zijn
vervuld.
4.
Van de bewaargeving en de
verklaringen van de erflater maakt de notaris
een akte op die door de erflater en de notaris
wordt ondertekend.
5.
Wanneer de erflater verklaart
dat hij door een met name door hem genoemde, na
de ondertekening van de uiterste wil opgekomen
oorzaak verhinderd wordt de akte van
bewaargeving te ondertekenen, vervangt die
verklaring zijn ondertekening van de akte van
bewaargeving, mits zij daarin wordt opgenomen.
6.
De onderhandse uiterste wil
blijft berusten onder de minuten van de notaris
die deze akte heeft ontvangen.
Artikel 96
Op degene die de geldigheid
van een in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt
op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig
heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden
waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft
gewaarmerkt, rust de bewijslast daarvan.