Artikel 2
De eigenaar van een zaak is bevoegd haar
van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.
Artikel 3
Voor zover de wet niet anders bepaalt, is
de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen.
Titel 2. Eigendom van roerende zaken
Artikel 4
Hij die een aan niemand toebehorende
roerende zaak in bezit neemt, verkrijgt daarvan de eigendom.
Artikel 5
1. Hij
die een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, is
verplicht:
a. met bekwame spoed
overeenkomstig lid 2, eerste zin, van de vondst aangifte
te doen, tenzij hij terstond na de vondst daarvan
mededeling heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar
of als tot ontvangst bevoegd mocht beschouwen;
b. met bekwame spoed tevens
overeenkomstig lid 2, tweede zin, mededeling van de
vondst te doen, indien deze is gedaan in een woning, een
gebouw of een vervoermiddel, tenzij hij krachtens het
bepaalde onder a, slot ook niet tot aangifte
verplicht was;
c. de zaak in bewaring te geven
aan de gemeente die dit vordert.
2. De in
lid 1 onder a bedoelde aangifte kan in iedere
gemeente worden gedaan bij de daartoe aangewezen ambtenaar.
De in lid 1 onder b bedoelde mededeling geschiedt bij
degene die de woning bewoont of het gebouw of vervoermiddel
in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij degene die daar
voor hem toezicht houdt.
3. De
vinder is te allen tijde bevoegd de zaak aan enige gemeente
in bewaring te geven. Zolang hij dit niet doet, is hij
verplicht zelf voor bewaring en onderhoud zorg te dragen.
4. De
vinder kan van de in lid 2, eerste zin, bedoelde ambtenaar
een bewijs van aangifte of van inbewaringgeving verlangen.
Artikel 6
1. De
vinder die aan de hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen
heeft voldaan, verkrijgt de eigendom van de zaak één jaar na
de in artikel 5 lid 1 onder a bedoelde aangifte of
mededeling, mits de zaak zich op dat tijdstip nog bevindt in
de macht van de vinder of van de gemeente.
2. Is de
zaak anders dan op haar vordering aan de gemeente in
bewaring gegeven en valt zij onder de niet-kostbare zaken,
aangewezen bij of krachtens een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 12 onder b , dan is
lid 1 niet van toepassing en is de burgemeester drie maanden
na de inbewaringgeving bevoegd de zaak voor rekening van de
gemeente te verkopen of haar om niet aan een derde over te
dragen of te vernietigen.
3. Is de
zaak in bewaring gegeven aan de gemeente en is noch lid 1,
noch lid 2 van toepassing, dan is de burgemeester één jaar
na de inbewaringgeving bevoegd de zaak voor rekening van de
gemeente te verkopen of haar om niet aan een derde over te
dragen of te vernietigen.
4. De
vorige leden gelden niet, wanneer de eigenaar of een ander
die tot ontvangst van de zaak bevoegd is, zich daartoe heeft
aangemeld bij degene die de zaak in bewaring heeft vóórdat
de toepasselijke termijn is verstreken of, in de gevallen
van de leden 2 en 3, op een tijdstip na het verstrijken van
de termijn, waarop de gemeente de zaak redelijkerwijs nog te
zijner beschikking kan stellen.
Artikel 7
De vinder kan, door de zaak onverwijld af
te geven aan de bewoner van de woning of de gebruiker of
exploitant van de ruimte waar de vondst is gedaan, dan wel aan
degene die daar voor hem toezicht houdt, zijn rechtspositie met
alle daaraan verbonden verplichtingen doen overgaan op die
bewoner, gebruiker of exploitant met dien verstande dat geen
recht op beloning bestaat.
Artikel 8
1.
Indien een aan de gemeente in bewaring gegeven zaak aan snel
tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wegens de
onevenredig hoge kosten of ander nadeel de bewaring daarvan
niet langer van de gemeente kan worden gevergd, is de
burgemeester bevoegd haar te verkopen.
2.
Indien de zaak zich niet voor verkoop leent, is de
burgemeester bevoegd haar om niet aan een derde in eigendom
over te dragen of te vernietigen.
3.
Indien de gevonden zaak een dier is, is de burgemeester na
verloop van twee weken, nadat het dier door de gemeente in
bewaring is genomen, bevoegd het zo mogelijk tegen betaling
van een koopprijs, en anders om niet, aan een derde in
eigendom over te dragen. Mocht ook dit laatste zijn
uitgesloten, dan is de burgemeester bevoegd het dier te doen
afmaken. De termijn van twee weken behoeft niet te worden in
acht genomen, indien het dier slechts met onevenredig hoge
kosten gedurende dat tijdvak kan worden bewaard, of afmaking
om geneeskundige redenen vereist is.
4. De
opbrengst treedt in de plaats van de zaak.
Artikel 9
Bestaat de aan de gemeente in bewaring
gegeven zaak in geld, dan is de gemeente slechts verplicht aan
degene die haar kan opeisen, een gelijk bedrag uit te keren, en
vervalt deze verplichting zodra de burgemeester tot verkoop voor
rekening van de gemeente bevoegd zou zijn geweest.
Artikel 10
1. Hij
die de zaak opeist van de gemeente of van de vinder die aan
de hem in artikel 5 lid 1 gestelde eisen heeft voldaan, is
verplicht de kosten van bewaring en onderhoud en tot
opsporing van de eigenaar of een andere tot ontvangst
bevoegde te vergoeden. De gemeente of de vinder is bevoegd
de afgifte op te schorten totdat deze verplichting is
nagekomen. Indien degene die de zaak opeist, de
verschuldigde kosten niet binnen een maand nadat ze hem zijn
opgegeven, heeft voldaan, wordt hij geacht zijn recht op de
zaak te hebben prijsgegeven.
2. De
vinder die aan de op hem rustende verplichtingen heeft
voldaan, heeft naar omstandigheden recht op een redelijke
beloning.
Artikel 11
Indien een vinder die op grond van artikel
6 lid 1 eigenaar is geworden van een aan de gemeente in bewaring
gegeven zaak, zich niet binnen één maand na zijn verkrijging bij
de gemeente heeft aangemeld om de zaak in ontvangst te nemen, is
de burgemeester bevoegd de zaak voor rekening van de gemeente te
verkopen, om niet aan een derde over te dragen of te vernietigen.
Artikel 12
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen:
a. nadere regels worden gesteld
omtrent de uitoefening van de uit de artikelen 5-11 voor
de gemeenten voortvloeiende bevoegdheden;
b. groepen van niet-kostbare zaken
worden aangewezen, waarvoor artikel 6 lid 2 geldt;
c. nadere regels worden gesteld
omtrent de aanwijzing van bepaalde soorten personen en
instellingen, waarbij deze, geheel of gedeeltelijk en al
dan niet onder nadere voorwaarden, worden vrijgesteld
van de aangifteplicht van artikel 5 lid 1 onder a
of voor de afwikkeling van vondsten worden gelijkgesteld
met een gemeente;
d. voor de afwikkeling van
vondsten door personen of instellingen als bedoeld onder
c groepen van niet afgehaalde zaken met gevonden
zaken worden gelijkgesteld.
Artikel 13
1. Een
schat komt voor gelijke delen toe aan degene die hem ontdekt,
en aan de eigenaar van de onroerende of roerende zaak,
waarin de schat wordt aangetroffen.
2. Een
schat is een zaak van waarde, die zolang verborgen is
geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden
opgespoord.
3. De
ontdekker is verplicht van zijn vondst aangifte te doen
overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder a. Indien geen
aangifte is gedaan of onzeker is aan wie de zaak toekomt,
kan de gemeente overeenkomstig artikel 5 lid 1 onder c
vorderen dat deze aan haar in bewaring wordt gegeven, totdat
vaststaat wie rechthebbende is.
Artikel 14
1. De
eigendom van een roerende zaak die een bestanddeel wordt van
een andere roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken,
gaat over aan de eigenaar van deze hoofdzaak.
2.
Indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij
toebehoren aan verschillende eigenaars, worden deze
mede-eigenaars van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel
evenredig aan de waarde van de zaak.
3. Als
hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van
de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens
verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd.
Artikel 15
Worden roerende zaken die aan
verschillende eigenaars toebehoren door vermenging tot één zaak
verenigd, dan is het vorige artikel van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 16
1.
Indien iemand uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak
vormt, wordt deze eigendom van de eigenaar van de
oorspronkelijke zaken. Behoorden deze toe aan verschillende
eigenaars, dan zijn de vorige twee artikelen van
overeenkomstige toepassing.
2.
Indien iemand voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen
uit of mede uit een of meer hem niet toebehorende roerende
zaken, wordt hij eigenaar van de nieuwe zaak, tenzij de
kosten van de vorming dit wegens hun geringe omvang niet
rechtvaardigen.
3. Bij
het verwerken van stoffen tot een nieuwe stof of het kweken
van planten zijn de vorige leden van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17
Degene die krachtens zijn genotsrecht op
een zaak gerechtigd is tot de vruchten daarvan, verkrijgt de
eigendom der vruchten door haar afscheiding.
Artikel 18
De eigendom van een roerende zaak wordt
verloren, wanneer de eigenaar het bezit prijsgeeft met het
oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen.
Artikel 19
1. De
eigenaar van tamme dieren verliest daarvan de eigendom,
wanneer zij, nadat zij uit zijn macht zijn gekomen, zijn
verwilderd.
2. De
eigenaar van andere dieren verliest daarvan de eigendom,
wanneer zij de vrijheid verkrijgen en de eigenaar niet
terstond beproeft ze weder te vangen of zijn pogingen
daartoe staakt.
Titel 3. Eigendom van onroerende zaken
Artikel 20
1. De
eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders
bepaalt:
a. de bovengrond;
b. de daaronder zich bevindende
aardlagen;
c. het grondwater dat door een
bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen;
d. het water dat zich op de grond
bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens
anders erf staat;
e. gebouwen en werken die duurzaam
met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij
door vereniging met andere gebouwen en werken, voor
zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders
onroerende zaak;
f. met de grond verenigde
beplantingen.
2. In
afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net,
bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor
transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van
energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van
anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger
van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.
Artikel 21
1. De
bevoegdheid van de eigenaar van de grond om deze te
gebruiken, omvat de bevoegdheid tot gebruik van de ruimte
boven en onder de oppervlakte.
2. Het
gebruik van de ruimte boven en onder de oppervlakte is aan
anderen toegestaan, indien dit zo hoog boven of zo diep
onder de oppervlakte plaats vindt, dat de eigenaar geen
belang heeft zich daartegen te verzetten.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing op de bevoegdheid tot
vliegen.
Artikel 22
Wanneer een erf niet is afgesloten, mag
ieder er zich op begeven, tenzij de eigenaar schade of hinder
hiervan kan ondervinden of op duidelijke wijze kenbaar heeft
gemaakt, dat het verboden is zonder zijn toestemming zich op het
erf te bevinden, een en ander onverminderd hetgeen omtrent
openbare wegen is bepaald.
Artikel 23
1. Is
een voorwerp of een dier anders dan door opzet of grove
nalatigheid van de eigenaar op de grond van een ander
terecht gekomen, dan moet de eigenaar van de grond hem op
zijn verzoek toestaan het voorwerp of het dier op te sporen
en weg te voeren.
2. De
bij de opsporing en wegvoering aangerichte schade moet door
de eigenaar van het voorwerp of het dier aan de eigenaar van
de grond worden vergoed. Voor deze vordering heeft
laatstgenoemde een retentierecht op het voorwerp of het dier.
Artikel 24
Aan de Staat behoren onroerende zaken die
geen andere eigenaar hebben.
Artikel 25
De bodem van de territoriale zee en van de
Waddenzee is eigendom van de Staat.
Artikel 26
De stranden der zee tot aan de duinvoet
worden vermoed eigendom van de Staat te zijn.
Artikel 27
1. De
grond waarop zich openbare vaarwateren bevinden, wordt
vermoed eigendom van de Staat te zijn.
2. Dit
vermoeden werkt niet tegenover een openbaar lichaam:
a. dat die wateren onderhoudt en
het onderhoud niet van de Staat heeft overgenomen;
b. dat die wateren onderhield en
waarvan dit onderhoud door de Staat of door een ander
openbaar lichaam is overgenomen.
Artikel 28
1.
Onroerende zaken die openbaar zijn, met uitzondering van de
stranden der zee, worden, wanneer zij door een openbaar
lichaam worden onderhouden, vermoed eigendom van dat
openbare lichaam te zijn.
2. Dit
vermoeden werkt niet tegenover hem aan wie het onderhoud is
overgenomen.
Artikel 29
De grens van een langs een water liggend
erf verplaatst zich met de oeverlijn, behalve in geval van
opzettelijke drooglegging of tijdelijke overstroming. Een
overstroming is niet tijdelijk, indien tien jaren na de
overstroming het land nog door het water wordt overspoeld en de
drooglegging niet is begonnen.
Artikel 30
1. Een
verplaatsing van de oeverlijn wijzigt de grens niet meer,
nadat deze is vastgelegd, hetzij door de eigenaars van land
en water overeenkomstig artikel 31, hetzij door de rechter
op vordering van een hunner tegen de ander overeenkomstig
artikel 32. De vastlegging geldt jegens een ieder.
2.
Indien bij de vastlegging in plaats van de werkelijke
eigenaar van een erf iemand die als zodanig in de openbare
registers was ingeschreven, partij is geweest, is niettemin
het vorige lid van toepassing, tenzij de werkelijke eigenaar
tegen inschrijving van de akte of het vonnis verzet heeft
gedaan voordat zij is geschied.
Artikel 31
1. De
vastlegging van de grens door de eigenaars van land en water
geschiedt bij een daartoe bestemde notariële akte, binnen
veertien dagen gevolgd door de inschrijving daarvan in de
openbare registers.
2. De
bewaarder der registers is bevoegd van de inschrijving
kennis te geven aan ieder die als rechthebbende of
beslaglegger op een der erven staat ingeschreven.
3. Voor
zover de in de akte beschreven grens van de toenmalige
oeverlijn afwijkt, kan een derde die op het ogenblik van de
inschrijving een recht op een der erven heeft, daarvan
huurder of pachter is of daarop een beslag heeft doen
inschrijven, de toenmalige oeverlijn als vastgelegde grens
aanmerken.
Artikel 32
1. Een
vordering tot vastlegging van de grens wordt slechts
toegewezen, indien de instelling ervan in de openbare
registers is ingeschreven en allen die toen als
rechthebbende of beslaglegger op een der erven stonden
ingeschreven, tijdig in het geding zijn geroepen.
2. De
rechter bepaalt de grens overeenkomstig de oeverlijn op het
tijdstip van de inschrijving van de vordering. Alvorens de
eis toe te wijzen, kan hij de maatregelen bevelen en de
bewijsopdrachten doen, die hij in het belang van
niet-verschenen belanghebbenden nuttig oordeelt.
3. De
kosten van de vordering komen ten laste van de eiser.
4.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van
niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van
het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers,
bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat
wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening
van het vonnis aan de ingeschrevene, ook als de betekening
niet aan hem in persoon geschiedt, tenzij de rechter hiertoe
nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel niet is
voldaan.
5. De
vastlegging treedt in op het tijdstip dat het vonnis waarbij
de vordering is toegewezen, in de openbare registers wordt
ingeschreven. Deze inschrijving geschiedt niet voordat het
vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 33
1.
Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn
van een openbaar water landinwaarts, dan moet de eigenaar
van het overspoelde erf het gebruik van het water
overeenkomstig de bestemming dulden.
2.
Verplaatst zich, nadat de grens is vastgelegd, de oeverlijn
van een water dat de eigenaar van het aanliggende erf voor
enig doel mag gebruiken, in de richting van het water, dan
kan de eigenaar van dat erf vorderen dat hem op de
drooggekomen grond een of meer erfdienstbaarheden worden
verleend, waardoor hij zijn bevoegdheden ten aanzien van het
water kan blijven uitoefenen.
3. Het
vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten behoeve van
hem die het water voor enig doel mag gebruiken en daartoe
een erfdienstbaarheid op het aan het water liggende erf
heeft.
4. In
geval van grensvastlegging overeenkomstig artikel 32 zijn de
vorige leden reeds van toepassing, wanneer de oeverlijn zich
na de inschrijving van de vordering verplaatst.
Artikel 34
De oeverlijn in de zin van de vorige vijf
artikelen wordt bepaald door de normale waterstand, of, bij
wateren waarvan het peil periodiek wisselt, door de normale
hoogwaterstand. Grond, met andere dan gewoonlijk in het water
levende planten begroeid, wordt echter gerekend aan de landzijde
van de oeverlijn te liggen, ook al wordt die grond bij hoogwater
overstroomd.
Artikel 35
1. Nieuw
duin dat zich op het strand vormt, behoort aan de eigenaar
van het aan het strand grenzende duin, wanneer beide duinen
een geheel zijn geworden, zodanig dat zij niet meer van
elkander kunnen worden onderscheiden.
2.
Daarentegen verliest deze eigenaar de grond welke door
afneming van het duin deel van het strand wordt.
3.
Uitbreiding of afneming van een duin als bedoeld in de leden
1 en 2 brengt geen wijziging meer in de eigendom nadat de
grens is vastgesteld, hetzij door de eigenaars van strand en
duin, hetzij door de rechter op vordering van een hunner
tegen de ander. De artikelen 30-32 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4.
Buiten het geval van de leden 1 en 2 brengt uitbreiding of
afneming van een duin geen wijziging in de eigendom.
Artikel 36
Dient een muur, hek, heg of greppel, dan
wel een niet bevaarbaar stromend water, een sloot, gracht of
dergelijke watergang als afscheiding van twee erven, dan wordt
het midden van deze afscheiding vermoed de grens tussen deze
erven te zijn. Dit vermoeden geldt niet, indien een muur slechts
aan één zijde een gebouw of werk steunt.
Titel 4. Bevoegdheden en verplichtingen
van eigenaars van naburige erven
Artikel 37
De eigenaar van een erf mag niet in een
mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6
onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder
toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen,
stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of
door het ontnemen van steun.
Artikel 38
Lagere erven moeten het water ontvangen
dat van hoger gelegen erven van nature afloopt.
Artikel 39
De eigenaar van een erf mag niet in een
mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6
onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder
toebrengen door wijziging te brengen in de loop, hoeveelheid of
hoedanigheid van over zijn erf stromend water of van het
grondwater, dan wel door gebruik van water dat zich op zijn erf
bevindt en in open gemeenschap staat met het water op eens
anders erf.
Artikel 40
1. De
eigenaar van een erf dat aan een openbaar of stromend water
grenst, mag van het water gebruik maken tot bespoeling, tot
drenking van vee of tot andere dergelijke doeleinden, mits
hij daardoor aan eigenaars van andere erven geen hinder
toebrengt in een mate of op een wijze die volgens artikel
162 van Boek 6 onrechtmatig is.
2.
Betreft het een openbaar water, dan is het vorige lid
slechts van toepassing voor zover de bestemming van het
water zich er niet tegen verzet.
Artikel 41
Van de artikelen 38, 39 en 40 lid 1 kan
bij verordening worden afgeweken.
Artikel 42
1. Het
is niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van
de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen
te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft
gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water
is.
2. De in
lid 1 bedoelde afstand bedraagt voor bomen twee meter te
rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de
heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een
verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere
afstand is toegelaten.
3. De
nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van
bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de
scheidsmuur tussen de erven.
4. Ter
zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is
slechts vergoeding verschuldigd van de schade, ontstaan na
het tijdstip waartegen tot opheffing van die toestand is
aangemaand.
Artikel 43
Onder muur wordt in deze en de volgende
titel verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe
geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting.
Artikel 44
1.
Indien een nabuur wiens beplantingen over eens anders erf
heenhangen, ondanks aanmaning van de eigenaar van dit erf,
nalaat het overhangende te verwijderen, kan laatstgenoemde
eigenaar eigenmachtig het overhangende wegsnijden en zich
toeëigenen.
2.
Degene op wiens erf wortels van een ander erf doorschieten,
mag deze voor zover ze doorgeschoten zijn weghakken en zich
toeëigenen.
Artikel 45
Vruchten die van de bomen van een erf op
een naburig erf vallen, behoren aan hem wie de vruchten van dit
laatste erf toekomen.
Artikel 46
De eigenaar van een erf kan te allen tijde
van de eigenaar van het aangrenzende erf vorderen dat op de
grens van hun erven behoorlijk waarneembare afpalingstekens
gesteld of de bestaande zo nodig vernieuwd worden. De eigenaars
dragen in de kosten hiervan voor gelijke delen bij.
Artikel 47
1.
Indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is,
kan ieder der eigenaars te allen tijde vorderen dat de
rechter de grens bepaalt.
2. In
geval van onzekerheid waar de grens tussen twee erven ligt,
geldt niet het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar
is.
3. Bij
het bepalen van de grens kan de rechter naar gelang van de
omstandigheden het gebied waarover onzekerheid bestaat, in
gelijkwaardige of ongelijkwaardige delen verdelen dan wel
het in zijn geheel aan een der partijen toewijzen, al dan
niet met toekenning van een schadevergoeding aan een der
partijen.
Artikel 48
De eigenaar van een erf is bevoegd dit af
te sluiten.
Artikel 49
1. Ieder
der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd
gedeelte van een gemeente kan te allen tijde vorderen dat de
andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven
een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor
zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze
of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De
eigenaars dragen in de kosten van de afscheiding voor
gelijke delen bij.
2. Het
vorige lid is niet toepasselijk, indien een der erven een
openbare weg of een openbaar water is.
Artikel 50
1.
Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming
heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van
de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen,
dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover
deze op dit erf uitzicht geven.
2. De
nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van
zodanige openingen of werken, indien zijn erf een openbare
weg of een openbaar water is, indien zich tussen de erven
openbare wegen of openbare wateren bevinden of indien het
uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van
de opening of het werk zich bevindende muur. Uit dezen
hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoorloofd,
ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren
of de muur is gesloopt.
3. De in
dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit
de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt,
of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van
het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of
de muur.
4.
Wanneer de nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming
van een opening of werk meer kan vorderen, is hij verplicht
binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of
werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf
onredelijk zouden hinderen, behoudens voor zover zulk een
gebouw of werk zich daar reeds op het tijdstip van de
voltooiing van de verjaring bevond.
5. Ter
zake van een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand is
slechts vergoeding verschuldigd van schade, ontstaan na het
tijdstip waartegen opheffing van die toestand is aangemaand.
Artikel 51
In muren, staande binnen de in het vorige
artikel aangegeven afstand, mogen steeds lichtopeningen worden
gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters
worden voorzien.
Artikel 52
1. Een
eigenaar is verplicht de afdekking van zijn gebouwen en
werken zodanig in te richten, dat daarvan het water niet op
eens anders erf afloopt.
2.
Afwatering op de openbare weg is geoorloofd, indien zij niet
bij de wet of verordening verboden is.
Artikel 53
Een eigenaar is verplicht er voor te
zorgen dat geen water of vuilnis van zijn erf in de goot van
eens anders erf komt.
Artikel 54
1. Is
een gebouw of werk ten dele op, boven of onder het erf van
een ander gebouwd en zou de eigenaar van het gebouw of werk
door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel
zwaarder benadeeld worden dan de eigenaar van het erf door
handhaving daarvan, dan kan de eigenaar van het gebouw of
werk te allen tijde vorderen dat hem tegen
schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven
van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van
de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd gedeelte van
het erf wordt overgedragen.
2. Het
vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer een
gebouw of werk na verloop van tijd over andermans erf is
gaan overhellen.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing, indien dit
voortvloeit uit een op de wet of rechtshandeling gegronde
verplichting tot het dulden van de bestaande toestand of
indien de eigenaar van het gebouw of werk ter zake van de
bouw of zijn verkrijging kwade trouw of grove schuld
verweten kan worden.
Artikel 55
Indien door een dreigende instorting van
een gebouw of werk een naburig erf in gevaar wordt gebracht, kan
de eigenaar van dat erf te allen tijde vorderen dat maatregelen
worden genomen teneinde het gevaar op te heffen.
Artikel 56
Wanneer het voor het verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van een onroerende zaak noodzakelijk
is van een andere onroerende zaak tijdelijk gebruik te maken, is
de eigenaar van deze zaak gehouden dit na behoorlijke
kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan, tenzij er
voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te
weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen.
Artikel 57
1. De
eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot
een openbare weg of een openbaar vaarwater, kan van de
eigenaars van de naburige erven te allen tijde aanwijzing
van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen tegen
vooraf te betalen of te verzekeren vergoeding van de schade
welke hun door die noodweg wordt berokkend.
2.
Indien zich na de aanwijzing van de noodweg onvoorziene
omstandigheden voordoen, waardoor die weg een grotere last
aan de eigenaar van het erf veroorzaakt dan waarmee bij het
bepalen van de in lid 1 bedoelde vergoeding was gerekend,
kan de rechter het bedrag van de vergoeding verhogen.
3. Bij
de aanwijzing van de noodweg wordt rekening gehouden met het
belang van het ingesloten erf, dat langs die weg de openbare
weg of het openbare water zo snel mogelijk kan worden
bereikt, en met het belang van de bezwaarde erven om zo
weinig mogelijk overlast van die weg te ondervinden. Is een
erf van de openbare weg afgesloten geraakt, doordat het ten
gevolge van een rechtshandeling een andere eigenaar heeft
gekregen dan een vroeger daarmee verenigd gedeelte dat aan
de openbare weg grenst of een behoorlijke toegang daartoe
heeft, dan komt dit afgescheiden gedeelte het eerst voor de
belasting met een noodweg in aanmerking.
4.
Wanneer een wijziging in de plaatselijke omstandigheden dat
wenselijk maakt, kan een noodweg op vordering van een
onmiddellijk belanghebbende eigenaar worden verlegd.
5. Een
noodweg vervalt, hoelang hij ook heeft bestaan, zodra hij
niet meer nodig is.
Artikel 58
1. De
eigenaar van een erf die water dat elders te zijner
beschikking staat, door een leiding wil aanvoeren, kan tegen
vooraf te betalen of te verzekeren schadevergoeding van de
eigenaars der naburige erven vorderen te gedogen dat deze
leiding door of over hun erven gaat.
2. De
laatste vier leden van het vorige artikel vinden daarbij
overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
1.
Wanneer de grens van twee erven in de lengterichting onder
een niet bevaarbaar stromend water, een sloot, gracht of
dergelijke watergang doorloopt, heeft de eigenaar van elk
dier erven met betrekking tot die watergang in zijn gehele
breedte dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als een
mede-eigenaar. Iedere eigenaar is verplicht de op zijn erf
gelegen kant van het water, de sloot, de gracht of de
watergang te onderhouden.
2.
Iedere eigenaar is gerechtigd en verplicht hetgeen tot
onderhoud daaruit wordt verwijderd, voor zijn deel op zijn
erf te ontvangen.
3. Een
door de eigenaars overeengekomen afwijkende regeling is ook
bindend voor hun rechtverkrijgenden.
Titel 5. Mandeligheid
Artikel 60
Mandeligheid ontstaat, wanneer een
onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars
van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van
die erven wordt bestemd bij een tussen hun opgemaakte notariële
akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare
registers.
Artikel 61
1.
Mandeligheid die is ontstaan ingevolge het vorige artikel,
eindigt:
a. wanneer de gemeenschap eindigt;
b. wanneer de bestemming van de
zaak tot gemeenschappelijk nut van de erven wordt
opgeheven bij een tussen de mede-eigenaars opgemaakte
notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de
openbare registers;
c. zodra het nut van de zaak voor
elk van de erven is geëindigd.
2. Het
feit dat het nut van de zaak voor elk van de erven is
geëindigd, kan in de openbare registers worden ingeschreven.
Artikel 62
1. Een
vrijstaande scheidsmuur, een hek of een heg is
gemeenschappelijk eigendom en mandelig, indien de grens van
twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren, er in
de lengterichting onderdoor loopt.
2. De
scheidsmuur die twee gebouwen of werken, welke aan
verschillende eigenaars toebehoren, gemeen hebben, is
eveneens gemeenschappelijk eigendom en mandelig.
Artikel 63
1. Het
recht op een mandelige zaak kan niet worden gescheiden van
de eigendom der erven.
2. Een
vordering tot verdeling van een mandelige zaak is
uitgesloten.
Artikel 64
Mandeligheid brengt mede dat ieder
mede-eigenaar aan de overige mede-eigenaars toegang tot de
mandelige zaak moet geven.
Artikel 65
Mandelige zaken moeten op kosten van alle
mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig,
vernieuwd.
Artikel 66
1. Een
mede-eigenaar van een mandelige zaak kan zijn aandeel in die
zaak ook afzonderlijk van zijn erf aan de overige
mede-eigenaars overdragen.
2.
Indien een mede-eigenaar hiertoe op zijn kosten wil overgaan
uit hoofde van de lasten van onderhoud, reiniging en
vernieuwing in de toekomst, zijn de overige mede-eigenaars
gehouden tot die overdracht mede te werken, mits hij hun zo
nodig een recht van opstal of erfdienstbaarheid verleent,
waardoor zij met betrekking tot de zaak hun rechten kunnen
blijven uitoefenen.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing op een muur die twee
gebouwen of werken gemeen hebben, noch op een muur, hek of
heg waardoor twee erven in een aaneengebouwd gedeelte van
een gemeente van elkaar worden gescheiden.
Artikel 67
1.
Iedere mede-eigenaar mag tegen de mandelige scheidsmuur
aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken,
ribben, ankers en andere werken aanbrengen, mits hij aan de
muur en aan de door de muur bevoegdelijk daarmee verbonden
werken geen nadeel toebrengt.
2.
Behalve in noodgevallen kan een mede-eigenaar vorderen dat,
vóór de andere mede-eigenaar begint met aanbrengen van het
werk, deskundigen zullen vaststellen op welke wijze dit kan
geschieden zonder nadeel voor de muur of voor bevoegd
aangebrachte werken van de eerst vermelde eigenaar.
Artikel 68
Iedere mede-eigenaar mag op de mandelige
scheidsmuur tot op de helft der dikte een goot aanleggen, mits
het water niet op het erf van de andere mede-eigenaar uitloost.
Artikel 69
De artikelen 64, 65, 66 lid 2, 67 en 68
vinden geen toepassing voorzover een overeenkomstig artikel 168
van boek 3 getroffen regeling anders bepaalt.
Titel 6. Erfdienstbaarheden
Artikel 70
1. Een
erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak
- het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende
zaak - het heersende erf - is bezwaard.
2. In de
akte van vestiging van een erfdienstbaarheid kan aan de
eigenaar van het heersende erf de verplichting worden
opgelegd aan de eigenaar van het dienende erf op al dan niet
regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de
retributie - te betalen.
Artikel 71
1. De
last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt,
bestaat in een verplichting om op, boven of onder een der
beide erven iets te dulden of niet te doen. In de akte van
vestiging kan worden bepaald dat de last bovendien een
verplichting inhoudt tot het aanbrengen van gebouwen, werken
of beplantingen die voor de uitoefening van die
erfdienstbaarheid nodig zijn, mits deze gebouwen, werken en
beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf
zullen bevinden.
2. De
last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan
ook bestaan in een verplichting tot onderhoud van het
dienende erf of van gebouwen, werken of beplantingen die
zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevinden of
zullen bevinden.
Artikel 72
Erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door
vestiging en door verjaring.
Artikel 73
1. De
inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening
worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in
die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke
gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime
tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend,
dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening
beslissend.
2.
Niettemin kan de eigenaar van het dienende erf voor de
uitoefening van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van
het erf aanwijzen dan waarop de erfdienstbaarheid ingevolge
het vorige lid dient te worden uitgeoefend, mits deze
verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar
van het heersende erf mogelijk is. Kosten, noodzakelijk voor
zodanige verandering, komen ten laste van de eigenaar van
het dienende erf.
Artikel 74
De uitoefening der erfdienstbaarheid moet
op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze geschieden.
Artikel 75
1. De
eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten
op het dienende erf alles te verrichten wat voor de
uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is.
2. Hij
is eveneens bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf
gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen, die voor de
uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
3. Hij
is verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte
te onderhouden, voor zover dit in het belang van het
dienende erf nodig is; hij is bevoegd het weg te nemen, mits
hij het erf in de oude toestand terugbrengt.
4. De
eigenaar van het dienende erf heeft geen recht van gebruik
van de gebouwen, werken en beplantingen, die daarop door de
eigenaar van het heersende erf rechtmatig zijn aangebracht.
5. In de
akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.
6. In
geval van mandeligheid zijn in plaats van de leden 3 en 4 de
uit dien hoofde geldende regels van toepassing.
Artikel 76
1.
Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, blijft de
erfdienstbaarheid bestaan ten behoeve van ieder gedeelte,
ten voordele waarvan zij kan strekken.
2.
Wanneer het dienende erf wordt verdeeld, blijft de last
rusten op ieder gedeelte, ten aanzien waarvan naar de akte
van vestiging en de aard der erfdienstbaarheid de
uitoefening mogelijk is.
3. In de
akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.
Artikel 77
1.
Behoort het heersende of het dienende erf toe aan twee of
meer personen, hetzij als deelgenoten, hetzij als eigenaars
van verschillende gedeelten daarvan, dan zijn zij hoofdelijk
verbonden tot nakoming van de uit de erfdienstbaarheid
voortvloeiende geldelijke verplichtingen die tijdens hun
recht opeisbaar worden, voor zover deze niet over hun
rechten zijn verdeeld.
2. Na
overdracht of toedeling van het heersende of het dienende
erf of van een gedeelte daarvan of een aandeel daarin zijn
de verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden
voor de in lid 1 bedoelde geldelijke verplichtingen die in
de voorafgaande twee jaren opeisbaar zijn geworden.
3. In de
akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken,
doch van het tweede lid niet ten nadele van de verkrijger.
Artikel 78
De rechter kan op vordering van de
eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of
opheffen:
a. op grond van onvoorziene
omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de
eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd:
b. indien ten minste twintig jaren
na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen
en het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid
in strijd is met het algemeen belang.
Artikel 79
De rechter kan op vordering van de
eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen,
indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de
eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de
uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de
mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal
terugkeren.
Artikel 80
De rechter kan op vordering van de
eigenaar van het heersende erf de inhoud van een
erfdienstbaarheid, wanneer door onvoorziene omstandigheden de
uitoefening blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden of het
belang van de eigenaar van het heersende erf aanzienlijk is
verminderd, zodanig wijzigen dat de mogelijkheid van uitoefening
of het oorspronkelijke belang wordt hersteld, mits deze
wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de
eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.
Artikel 81
1. De
rechter kan een vordering als bedoeld in de artikelen 78-80
toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden.
2. Rust
op een der erven beperkt recht, dan is de vordering slechts
toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde in het geding is
geroepen. Bij het oordeel of aan de maatstaven van de
artikelen 78 onder a., 79 en 80 is voldaan, dient
mede met zijn belangen rekening te worden gehouden.
Artikel 82
1.
Indien de eigenaar van het heersende erf uit hoofde van de
aan de erfdienstbaarheid verbonden lasten en verplichtingen
op zijn kosten afstand van zijn recht wil doen, is de
eigenaar van het dienende erf gehouden hieraan mede te
werken.
2. In de
akte van vestiging kan voor de eerste twintig jaren anders
worden bepaald.
Artikel 83
Indien op het tijdstip waarop het
heersende en het dienende erf één eigenaar verkrijgen, een derde
een der erven in huur of pacht of uit hoofde van een ander
persoonlijk recht in gebruik heeft, gaat de erfdienstbaarheid
pas door vermenging teniet bij het einde van dit gebruiksrecht.
Artikel 84
1. Hij
die een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een
onroerende zaak heeft, kan een erfdienstbaarheid ten behoeve
van deze zaak bedingen. Hij kan haar ook met een
erfdienstbaarheid belasten.
2.
Erfdienstbaarheden, bedongen door een beperkt gerechtigde
ten behoeve van de zaak waarop zijn recht rust of door een
opstaller ten behoeve van de opstal, gaan bij het einde van
het beperkte recht slechts teniet, indien dit in de akte van
vestiging van de erfdienstbaarheid is bepaald. Blijft de
erfdienstbaarheid voortbestaan, dan staat een beding als
bedoeld in artikel 82 lid 2 niet langer aan afstand van de
erfdienstbaarheid in de weg.
3.
Erfdienstbaarheden, gevestigd door een beperkt gerechtigde
ten laste van de zaak waarop zijn recht rust of door een
opstaller ten laste van de opstal, gaan teniet bij het einde
van het beperkte recht, tenzij dit eindigt door vermenging
of afstand of de eigenaar van de zaak waarop het beperkte
recht rustte bij een in de openbare registers ingeschreven
akte heeft verklaard met de vestiging van de
erfdienstbaarheid in te stemmen.
4. De
erfpachter, opstaller of vruchtgebruiker wordt voor de
toepassing van de overige artikelen van deze titel
aangemerkt als eigenaar van het heersende, onderscheidenlijk
het dienende erf.
Titel 7. Erfpacht
Artikel 85
1.
Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de
bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en
te gebruiken.
2. In de
akte van vestiging kan aan de erfpachter de verplichting
worden opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig
terugkerende tijdstippen een geldsom - de canon - te
betalen.
Artikel 86
Partijen kunnen in de akte van vestiging
de duur van de erfpacht regelen.
Artikel 87
1. Een
erfpacht kan door de erfpachter worden opgezegd, tenzij in
de akte van vestiging anders is bepaald.
2. Een
erfpacht kan door de eigenaar worden opgezegd, indien de
erfpachter in verzuim is de canon over twee
achtereenvolgende jaren te betalen of in ernstige mate
tekortschiet in de nakoming van zijn andere verplichtingen.
Deze opzegging moet op straffe van nietigheid binnen acht
dagen worden betekend aan degenen die als beperkt
gerechtigde of beslaglegger op de erfpacht in de openbare
registers staan ingeschreven. Na het einde van de erfpacht
is de eigenaar verplicht de waarde die de erfpacht dan heeft
aan de erfpachter te vergoeden, na aftrek van hetgeen hij
uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen
heeft, de kosten daaronder begrepen.
3. Een
beding dat ten nadele van de erfpachter van het vorige lid
afwijkt is nietig. In de akte van vestiging kan aan de
eigenaar de bevoegdheid worden toegekend tot opzegging,
behoudens op grond van tekortschieten van de erfpachter in
de nakoming van zijn verplichtingen.
Artikel 88
1.
Iedere opzegging geschiedt bij exploit. Zij geschiedt
tenminste een jaar voor het tijdstip waartegen wordt
opgezegd, doch in het geval van artikel 87 lid 2 tenminste
een maand voor dat tijdstip.
2. In
het geval van artikel 87 lid 2 weigert de bewaarder de
inschrijving van de opzegging als niet tevens wordt
overgelegd de betekening daarvan aan degenen die in de
openbare registers als beperkt gerechtigde of beslaglegger
op de erfpacht stonden ingeschreven.
Artikel 89
1. Voor
zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft
de erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar.
2. Hij
mag echter zonder toestemming van de eigenaar niet een
andere bestemming aan de zaak geven of een handeling in
strijd met de bestemming van de zaak verrichten.
3. Voor
zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft
de erfpachter, zowel tijdens de duur van de erfpacht als bij
het einde daarvan, de bevoegdheid gebouwen, werken en
beplantingen, die door hemzelf of een rechtsvoorganger
onverplicht zijn aangebracht of van de eigenaar tegen
vergoeding der waarde zijn overgenomen, weg te nemen, mits
hij de in erfpacht gegeven zaak in de oude toestand
terugbrengt.
Artikel 90
1. Voor
zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald,
behoren vruchten die tijdens de duur der erfpacht zijn
afgescheiden of opeisbaar geworden, en voordelen van
roerende aard, die de zaak oplevert, aan de erfpachter.
2.
Voordelen van onroerende aard behoren aan de eigenaar toe.
Zij zijn eveneens aan de erfpacht onderworpen, tenzij in de
akte van vestiging anders is bepaald.
Artikel 91
1. In de
akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpacht niet
zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen
of toebedeeld. Een zodanige bepaling staat aan executie door
schuldeisers niet in de weg.
2. In de
akte van vestiging kan ook worden bepaald, dat de erfpachter
zijn recht niet zonder toestemming van de eigenaar kan
splitsen door overdracht of toedeling van de erfpacht op een
gedeelte van de zaak.
3. Een
beding als in de vorige leden bedoeld kan ook worden gemaakt
ten aanzien van de appartementsrechten, waarin een gebouw
door de erfpachter wordt gesplitst. Het kan slechts aan een
verkrijger onder bijzondere titel van een recht op het
appartementsrecht worden tegengeworpen, indien het in de
akte van splitsing is omschreven.
4.
Indien de eigenaar de vereiste toestemming zonder redelijke
gronden weigert of zich niet verklaart, kan zijn toestemming
op verzoek van degene die haar behoeft, worden vervangen
door een machtiging van de kantonrechter van de rechtbank
van het arrondissement waarin de zaak of het grootste
gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 92
1.
Behoort de erfpacht toe aan twee of meer personen, hetzij
als deelgenoten hetzij als erfpachter van verschillende
gedeelten van de zaak, dan zijn zij hoofdelijk verbonden
voor de gehele canon die tijdens hun recht opeisbaar wordt,
voor zover deze niet over hun rechten verdeeld is.
2. Na
overdracht of toedeling van de erfpacht op de zaak of een
gedeelte daarvan of van een aandeel in de erfpacht zijn de
verkrijger en zijn rechtsvoorganger hoofdelijk verbonden
voor de door laatstgenoemde verschuldigde canon die in de
voorafgaande vijf jaren opeisbaar is geworden.
3. In de
akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken,
doch van het tweede lid niet ten nadele van de verkrijger.
Artikel 93
1. De
erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht
rust, geheel of ten dele in ondererfpacht te geven, voor
zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald. Aan
de ondererfpachter komen ten aanzien van de zaak niet meer
bevoegdheden toe dan de erfpachter jegens de eigenaar heeft.
2. De
ondererfpacht gaat bij het einde van de erfpacht teniet,
tenzij deze eindigt door vermenging of afstand. De eigenaar
kan voor de ter zake van de erfpacht verschuldigde canon het
recht van erfpacht vrij van ondererfpacht uitwinnen. Het in
de vorige zinnen van dit lid bepaalde geldt niet, indien de
eigenaar bij een in de openbare registers ingeschreven
notariële akte heeft verklaard met de vestiging van de
ondererfpacht in te stemmen.
3. Voor
de toepassing van de overige artikelen van deze titel wordt
de erfpachter in zijn verhouding tot de ondererfpachter als
eigenaar aangemerkt.
Artikel 94
1. De
erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht
rust, te verhuren of te verpachten, voor zover in de akte
van vestiging niet anders is bepaald.
2. Na
het einde van de erfpacht is de eigenaar verplicht een
bevoegdelijk aangegane verhuur of verpachting gestand te
doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren, voor zover
zonder zijn toestemming hetzij de overeengekomen tijdsduur
van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik
overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de zesde
afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een langere
tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied voor
een langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren
voor los land, hetzij de verhuring of verpachting is
geschied op ongewone voor hem bezwarende voorwaarden.
3. Hij
verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer
de huurder of pachter hem een redelijke termijn heeft
gesteld om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en
hij zich niet binnen deze termijn heeft uitgesproken.
4.
Indien de eigenaar volgens de vorige leden niet verplicht is
tot gestanddoening van een door de erfpachter aangegane
verhuring van woonruimte waarin de huurder bij het eindigen
van de erfpacht zijn hoofdverblijf heeft en waarop de
artikelen 271 tot en met 277 van Boek 7 van toepassing zijn,
moet hij de huurovereenkomst niettemin met de huurder
voortzetten met dien verstande dat artikel 269 lid 2 van
Boek 7, van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 95
Tot het instellen van rechtsvorderingen en
het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een
rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de eigenaar als
dat van de erfpachter betreft, is ieder van hen bevoegd, mits
hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt
geroepen.
Artikel 96
1.
Gewone lasten en herstellingen worden door de erfpachter
gedragen en verricht. De erfpachter is verplicht, wanneer
buitengewone herstellingen nodig zijn, aan de eigenaar van
deze noodzakelijkheid kennis te geven en hem gelegenheid te
verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De eigenaar
is niet tot het doen van enige herstelling verplicht.
2. De
erfpachter is verplicht de buitengewone lasten die op de
zaak drukken te voldoen.
3. In de
akte van vestiging kan van de vorige leden worden afgeweken.
Artikel 97
1.
Indien vijf en twintig jaren na de vestiging van de erfpacht
zijn verlopen, kan de rechter op vordering van de eigenaar
of de erfpachter de erfpacht wijzigen of opheffen op grond
van onvoorziene omstandigheden, welke van dien aard zijn dat
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van de akte van vestiging niet van de
eigenaar of de erfpachter kan worden gevergd.
2. De
rechter kan de vordering onder door hem vast te stellen
voorwaarden toewijzen.
3. Rust
op de erfpacht of op de zaak een beperkt recht, dan is de
vordering slechts toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde
in het geding is geroepen en ook te zijnen aanzien aan de
maatstaf van lid 1 is voldaan.
Artikel 98
1.
Wanneer de tijd waarvoor de erfpacht is gevestigd, is
verstreken en de erfpachter de zaak niet op dat tijdstip
heeft ontruimd, blijft de erfpacht doorlopen, tenzij de
eigenaar uiterlijk zes maanden na dat tijdstip doet blijken
dat hij haar als geëindigd beschouwt. De eigenaar en de
erfpachter kunnen de verlengde erfpacht opzeggen op de wijze
en met inachtneming van de termijn vermeld in artikel 88.
2. Ieder
beding dat ten nadele van de erfpachter van dit artikel
afwijkt, is nietig.
Artikel 99
1. Na
het einde van de erfpacht heeft de voormalige erfpachter
recht op vergoeding van de waarde van nog aanwezige
gebouwen, werken en beplantingen, die door hemzelf of een
rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de eigenaar tegen
vergoeding der waarde zijn overgenomen.
2. In de
akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter geen
recht heeft op de in het eerste lid bedoelde vergoeding:
a. indien de in erfpacht gegeven
grond een andere bestemming had dan die van woningbouw;
b. indien de erfpachter de
gebouwen, werken en beplantingen niet zelf heeft
bekostigd;
c. indien de erfpacht geëindigd is
door opzegging door de erfpachter;
d. voor zover de gebouwen, werken
en beplantingen onverplicht waren aangebracht en hij ze
bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen.
3. De
eigenaar is bevoegd van de door hem ingevolge dit artikel
verschuldigde vergoeding af te houden hetgeen hij uit hoofde
van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft.
Artikel 100
1. De
erfpachter heeft een retentierecht op de in erfpacht
uitgegeven zaak totdat hem de verschuldigde vergoeding is
betaald.
2. Ieder
van het vorige lid afwijkend beding is nietig.
3. De
eigenaar heeft een retentierecht op hetgeen de erfpachter
mocht hebben afgebroken, totdat hem hetgeen hij uit hoofde
van de erfpacht heeft te vorderen is voldaan.
Titel 8. Opstal
Artikel 101
1. Het
recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven
een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of
beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.
2. Het
recht van opstal kan zelfstandig dan wel afhankelijk van een
ander zakelijk recht of van een recht van huur of pacht op
de onroerende zaak worden verleend.
3. In de
akte van vestiging kan de opstaller de verplichting worden
opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig
terugkerende tijdstippen een geldsom - de retributie - te
betalen.
Artikel 102
De bevoegdheden van de opstaller tot het
gebruiken, aanbrengen en wegnemen van de gebouwen, werken en
beplantingen kunnen in de akte van vestiging worden beperkt.
Artikel 103
Bij gebreke van een regeling daaromtrent
in de akte van vestiging heeft de opstaller ten aanzien van de
zaak waarop zijn recht rust, de bevoegdheden die voor het volle
genot van zijn recht nodig zijn.
Artikel 104
1. De
artikelen 92 en 95 zijn van overeenkomstige toepassing op
het recht van opstal.
2. De
artikelen 86, 87, 88, 91, 93, 94, 97 en 98 zijn van
overeenkomstige toepassing op een zelfstandig recht van
opstal.
Artikel 105
1.
Wanneer het recht van opstal tenietgaat, gaat de eigendom
van de gebouwen, werken en beplantingen van rechtswege over
op de eigenaar van de onroerende zaak waarop het rustte.
2. Voor
zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft
de opstaller bij het einde van zijn recht de bevoegdheid
gebouwen, werken en beplantingen die door hemzelf of een
rechtsvoorganger onverplicht zijn aangebracht dan wel van de
eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen weg te
nemen, mits hij de onroerende zaak waarop het recht rustte
in de oude toestand terugbrengt.
3. De
artikelen 99 en 100 zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat het aan de opstaller toekomende
retentierecht slechts de gebouwen, werken en beplantingen
omvat.
Titel 9. Appartementsrechten
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 106
1. Een
eigenaar, erfpachter of opstaller is bevoegd zijn recht op
een gebouw met toebehoren en op de daarbij behorende grond
met toebehoren te splitsen in appartementsrechten.
2. Een
eigenaar, erfpachter of opstaller is eveneens bevoegd zijn
recht op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten.
3. Een
appartementsrecht is op zijn beurt voor splitsing in
appartementsrechten vatbaar. Een appartementseigenaar is tot
deze ondersplitsing bevoegd, voor zover in de akte van
splitsing niet anders is bepaald.
4. Onder
appartementsrecht wordt verstaan een aandeel in de goederen
die in de splitsing zijn betrokken, dat de bevoegdheid omvat
tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het
gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Het aandeel kan
mede omvatten de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van
bepaalde gedeelten van de bij het gebouw behorende grond. In
het geval van lid 2 omvat het aandeel de bevoegdheid tot het
uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het stuk
grond, die blijkens hun inrichting of aanduiding bestemd
zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden
gebruikt.
5. Onder
appartementseigenaar wordt verstaan de gerechtigde tot een
appartementsrecht.
6. Onder
gebouw wordt in deze titel mede verstaan een groep van
gebouwen die in één splitsing zijn betrokken.
7. Een
erfpachter of opstaller is tot een splitsing in
appartementsrechten slechts bevoegd na verkregen toestemming
van de grondeigenaar. Indien deze de vereiste toestemming
kennelijk zonder redelijke grond weigert of zich niet
verklaart, kan de toestemming op verzoek van degene die haar
behoeft worden vervangen door een machtiging van de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin
het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 107
Een eigenaar, erfpachter of opstaller is
ook bevoegd in verband met een door hem beoogde stichting of
gewijzigde inrichting van een gebouw zijn recht op het gebouw
met toebehoren en de daarbij behorende grond met toebehoren te
splitsen in appartementsrechten. Ook in geval van zodanige
splitsing ontstaan de appartementsrechten op het tijdstip van
inschrijving van de akte van splitsing.
Artikel 108
1. De
appartementseigenaars zijn jegens elkander verplicht de
bouw, de inrichting van het gebouw of de inrichting of
aanduiding van de grond tot stand te brengen en in stand te
houden in overeenstemming met het daaromtrent in de akte van
splitsing bepaalde.
2. De
rechter kan de uitspraak op een vordering, gegrond op het
vorige lid, aanhouden wanneer een op artikel 144 lid 1 onder
c, d of h gegrond verzoek aanhangig is.
Artikel 109
1. De
splitsing geschiedt door een daartoe bestemde notariële
akte, gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare
registers.
2. Aan
de minuut van de akte van splitsing wordt een tekening
gehecht, aangevende de begrenzing van de onderscheidene
gedeelten van het gebouw en de grond, die bestemd zijn als
afzonderlijk geheel te worden gebruikt en waarvan volgens de
akte het uitsluitend gebruik in een appartementsrecht zal
zijn begrepen. De tekening dient te voldoen aan de eisen,
krachtens de wet bedoeld in artikel 16 lid 2 van Boek 3 voor
de inschrijving daarvan te stellen.
3. Waar
in de bepalingen van deze titel wordt gesproken van de akte
van splitsing, is hieronder de tekening begrepen, tenzij uit
de bepaling het tegendeel blijkt.
Artikel 110
1.
Ondanks onbevoegdheid van degene die de splitsing heeft
verricht, om over een daarin betrokken registergoed te
beschikken, is de splitsing geldig, indien zij is gevolgd
door een geldige overdracht van een appartementsrecht of
vestiging van een beperkt recht op een appartementsrecht.
2. Een
ongeldige splitsing wordt eveneens als geldig aangemerkt,
wanneer een appartementsrecht is verkregen door verjaring.
Artikel 111
De akte van splitsing moet inhouden:
a. de vermelding van de
plaatselijke ligging van het gebouw of de grond;
b. een nauwkeurige omschrijving
van de onderscheiden gedeelten van het gebouw of de
grond, die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt, welke omschrijving kan plaatsvinden
door verwijzing naar de in artikel 109 lid 2 bedoelde
tekening, alsmede de vermelding voor elk dier gedeelten,
tot welk appartementsrecht de bevoegdheid tot gebruik
daarvan behoort;
c. de kadastrale aanduiding van de
appartementsrechten en de vermelding van de
appartementseigenaar;
d. een reglement, waartoe geacht
worden te behoren de bepalingen van een nauwkeurig
aangeduid modelreglement dat is ingeschreven in de
openbare registers ter plaatse waar de akte moet worden
ingeschreven.
Artikel 112
1. Het
reglement moet inhouden:
a. welke schulden en kosten voor
rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars
komen;
b. een regeling omtrent een
jaarlijks op te stellen exploitatierekening, lopende
over het voorafgaande jaar, en de door de
appartementseigenaars te storten bijdragen;
c. een regeling omtrent het
gebruik, het beheer en het onderhoud van de gedeelten
die niet bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt;
d. door wiens zorg en tegen welke
gevaren het gebouw ten behoeve van de gezamenlijke
appartementseigenaars moet worden verzekerd;
e. de oprichting van een
vereniging van eigenaars, die ten doel heeft het
behartigen van gemeenschappelijke belangen van de
appartementseigenaars, en de statuten van de vereniging.
2. De
statuten van de vereniging van eigenaars moeten bevatten:
a. de naam van de vereniging en de
gemeente waar zij haar zetel heeft. De naam van de
vereniging moet aanvangen met de woorden: "Vereniging
van Eigenaars", hetzij voluit geschreven, hetzij
afgekort tot "V. v. E.", en voorts melding maken van de
ligging van het gebouw;
b. het doel van de vereniging;
c. een regeling omtrent door de
appartementseigenaars periodiek, tenminste jaarlijks,
aan de vereniging verschuldigde bijdragen;
d. de wijze van bijeenroeping van
de vergadering van eigenaars en de bepaling van het
aantal stemmen dat ieder der appartementseigenaars in de
vergadering kan uitbrengen.
3. Het
reglement kan een regeling inhouden, krachtens welke aan
alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het
lidmaatschap van een andere, nader in het reglement
omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit
lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die
vereniging of coöperatie.
4. Het
reglement kan inhouden een regeling omtrent het gebruik, het
beheer en het onderhoud van de gedeelten die bestemd zijn om
als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Een zodanige
regeling kan inhouden dat de vergadering van eigenaars
bevoegd is een appartementseigenaar of degene die zijn
rechten uitoefent, om nader in het reglement aangegeven
gewichtige redenen het gebruik van deze gedeelten te
ontzeggen.
Artikel 113
1. De
aandelen die door de splitsing in appartementsrechten
ontstaan, zijn gelijk, tenzij bij de akte van splitsing een
andere verhouding is bepaald. In het laatste geval blijkt
uit de akte op welke grondslag die verhouding berust.
2. In de
schulden en kosten die ingevolge de wet of het reglement
voor rekening van de gezamenlijke appartementseigenaars
komen, moeten zij onderling en jegens de vereniging van
eigenaars voor elk appartementsrecht een gelijk deel
bijdragen, tenzij daarvoor bij het reglement een andere
verhouding is bepaald.
3.
Indien de appartementseigenaars voor een in het vorige lid
genoemde schuld jegens de schuldeisers gezamenlijk
aansprakelijk zijn en de verschuldigde prestatie deelbaar
is, zijn zij ieder verbonden voor een deel, in de verhouding
bedoeld in het vorige lid.
4.
Indien de appartementseigenaars voor een in lid 2 genoemde
schuld gezamenlijk aansprakelijk zijn, is de vereniging voor
die schuld hoofdelijk verbonden.
5. Voor
de schulden der vereniging zijn zij die appartementseigenaar
waren ten tijde van het ontstaan van de schuld, met de
vereniging hoofdelijk verbonden, en wel, indien de prestatie
deelbaar is, ieder voor een deel in de verhouding bedoeld in
lid 2.
Artikel 114
1. Rust
op het ogenblik van de inschrijving van de akte van
splitsing een hypotheek, een beslag of een voorrecht op alle
in de splitsing betrokken registergoederen, dan rust dit
verband, beslag of voorrecht van dat ogenblik af op elk der
appartementsrechten voor de gehele schuld.
2. Rust
op het ogenblik van de inschrijving van de akte van
splitsing een hypotheek, een beslag of een voorrecht op
slechts een deel van de registergoederen, dan blijft de
bevoegdheid tot uitwinning van dit deel ondanks de splitsing
bestaan; door de uitwinning wordt met betrekking tot dat
deel de splitsing beëindigd.
3. Een
recht van erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal of
vruchtgebruik, dat op dat ogenblik van de inschrijving van
de akte van splitsing rust op de registergoederen of een
deel daarvan, bestaat daarna ongewijzigd voort.
Artikel 115
1.
Wanneer een recht van erfpacht of opstal in de splitsing
wordt betrokken, wordt de canon of retributie die daarna
opeisbaar wordt, over de appartementsrechten verdeeld in een
verhouding als bedoeld in artikel 113 lid 2.
2. De
vereniging van eigenaars is hoofdelijk verbonden voor de
door een of meer appartementseigenaars verschuldigde canon
of retributie.
Artikel 116
1.
Wanneer een recht van erfpacht of opstal in de splitsing
betrokken is, geldt ter aanvulling van de artikelen 87 leden
2 en 3 en 88 het in de volgende leden bepaalde.
2.
Opzegging van het recht wegens verzuim in de betaling van de
canon of retributie kan slechts geschieden, wanneer de
gehele canon of retributie over twee achtereenvolgende jaren
onbetaald is gebleven.
3. Rust
op een of meer appartementsrechten een beperkt recht of een
beslag dan zijn artikel 87 lid 2, tweede zin, en artikel 88
lid 2 mede van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
dit beperkte recht of dit beslag.
4. Is
het voor een appartementsrecht verschuldigde deel van de
canon of retributie over de twee achtereenvolgende jaren
onbetaald gebleven, dan kan het appartementsrecht door de
rechter op vordering van de grondeigenaar aan deze worden
toegewezen. De dagvaarding moet op straffe van
niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden betekend aan
hen die als beperkt gerechtigde of beslaglegger op het
appartementsrecht in de openbare registers staan
ingeschreven.
5. Door
inschrijving in de openbare registers van het vonnis waarbij
de toewijzing is uitgesproken, gaat het appartementsrecht op
de grondeigenaar over en gaan de daarop rustende beperkte
rechten en beslagen teniet. Deze inschrijving geschiedt
niet, voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
Na deze inschrijving is de grondeigenaar verplicht de waarde
die het appartementsrecht heeft op het tijdstip van de
inschrijving aan de gewezen appartementseigenaar te
vergoeden, na aftrek van hetgeen hij uit hoofde van de
erfpacht van de gewezen appartementseigenaar te vorderen
heeft, de kosten daaronder begrepen.
6. In de
akte van vestiging kan worden aangegeven op welke wijze de
waarde als bedoeld in het vorige lid zal worden bepaald.
7. Ieder
beding dat ten nadele van een appartementseigenaar van dit
artikel afwijkt, is nietig.
Artikel 117
1. Een
appartementsrecht kan als een zelfstandig registergoed
worden overgedragen, toegedeeld, bezwaard en uitgewonnen.
2.
Onverminderd het in artikel 114 lid 2 bepaalde kunnen
goederen die in de splitsing betrokken zijn niet geheel of
voor een deel worden overgedragen, verdeeld, bezwaard of
uitgewonnen.
3.
Beëindiging van de splitsing met betrekking tot een gedeelte
van de in de splitsing betrokken registergoederen kan
slechts geschieden door wijziging van de akte van splitsing.
4. In
afwijking van lid 2 kunnen in de splitsing betrokken
onroerende zaken door de gezamenlijke appartementseigenaars
belast worden met een erfdienstbaarheid.
Artikel 118
1. Een
appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van
splitsing niet anders is bepaald, zonder medewerking van de
overige appartementseigenaars op het gedeelte van de
onroerende zaken dat bestemd is om als afzonderlijk geheel
door hem te worden gebruikt, een erfdienstbaarheid vestigen
ten behoeve van een ander gedeelte van die zaken of van een
andere onroerende zaak.
2. Een
appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van
splitsing niet anders is bepaald, zonder medewerking van de
overige appartementseigenaars de vestiging van een
erfdienstbaarheid die uitsluitend strekt ten behoeve van een
gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om als
afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, aannemen en
van zodanige erfdienstbaarheid afstand doen.
3. De in
dit artikel bedoelde erfdienstbaarheden gaan teniet, wanneer
de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van het gedeelte dat
met de erfdienstbaarheid is belast of ten behoeve waarvan de
erfdienstbaarheid is bedongen eindigt.
Artikel 118a
1. Een
appartementseigenaar kan, voor zover in de akte van
splitsing niet anders is bepaald, zonder medewerking van de
overige appartementseigenaars en beperkt gerechtigden op het
gedeelte van de onroerende zaken dat bestemd is om als
afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, een recht
van erfpacht en, behoudens voor zover het betreft in de
splitsing betrokken gebouwen, werken en beplantingen, een
recht van opstal vestigen.
2. In de
akte van vestiging van het recht wordt bepaald in hoeverre
de gerechtigde naast de appartementseigenaar hoofdelijk
aansprakelijk is voor de ter zake van het appartementsrecht
verschuldigde bijdragen.
3.
Tenzij bij de vestiging van het recht van erfpacht anders
wordt bepaald, wordt het aan een appartementsrecht verbonden
stemrecht in de vergadering van eigenaars uitgeoefend door
de erfpachter. Tenzij bij de vestiging van het recht van
opstal anders wordt bepaald, behoudt de appartementseigenaar
die een recht van opstal heeft gevestigd, het aan zijn
appartementsrecht verbonden stemrecht in de vergadering van
eigenaars.
Artikel 119
1. Een
appartementseigenaar mag zonder toestemming van de overige
appartementseigenaars in een gedeelte dat bestemd is om als
afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt,
veranderingen aanbrengen, mits deze geen nadeel aan een
ander gedeelte toebrengen. Van hetgeen hij bij een
geoorloofde verandering wegneemt wordt hij enig eigenaar.
2. Hij
is verplicht de vereniging van eigenaars onverwijld van een
verandering kennis te geven. Leidt de verandering tot een
wijziging van de verzekeringspremie, dan komt het verschil
voor rekening van hem en zijn rechtsopvolgers.
3.
Blijkt ten gevolge van een verandering de waarde van de in
de splitsing betrokken goederen bij de opheffing van de
splitsing te zijn verminderd, dan wordt hiermede, ook al was
de verandering geoorloofd, bij de verdeling van de
gemeenschap rekening gehouden ten laste van hem die de
verandering heeft aangebracht of zijn rechtsopvolger.
4. Bij
het reglement kan van dit artikel worden afgeweken en kunnen
voor de toepassing van lid 2 wijzigingen in de wijze van
gebruik met veranderingen worden gelijkgesteld.
Artikel 120
1.
Onverminderd het in artikel 112 lid 4 bepaalde is een
appartementseigenaar bevoegd het gedeelte dat bestemd is om
als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, zelf te
gebruiken of aan een ander in gebruik te geven, met inbegrip
van het hem toekomende medegebruik van de gedeelten die niet
bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.
2.
Voorschriften van het reglement omtrent gebruik, beheer en
onderhoud zijn ook van toepassing op degeen die het gebruik
verkrijgt. Andere bepalingen van het reglement kunnen in het
reglement op de gebruiker van toepassing worden verklaard.
3. Ten
aanzien van een huurder geldt een na het tot stand komen van
de huurovereenkomst ingeschreven reglementsbepaling niet,
tenzij hij daarin heeft toegestemd. Weigert hij zijn
toestemming of verklaart hij zich niet, dan kan de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin
het gebouw of het grootste deel daarvan is gelegen, op
verzoek van iedere appartementseigenaar beslissen dat de
reglementsbepaling ten aanzien van de huurder komt te
gelden.
4. Na
opheffing van de splitsing zijn de gerechtigden tot de
goederen die in de splitsing waren betrokken, verplicht een
verhuur gestand te doen, mits de tijd van de verhuur in
overeenstemming is met het plaatselijk gebruik en de verhuur
niet op ongewone, voor hen bezwarende voorwaarden is
geschied.
Artikel 121
1. In
alle gevallen waarin een appartementseigenaar voor het
verrichten van een bepaalde handeling met betrekking tot de
gedeelten die niet bestemd zijn als afzonderlijk geheel
gebruikt te worden en, in het geval van een beding als
bedoeld in artikel 112 lid 4, met betrekking tot gedeelten
die bestemd zijn als afzonderlijk geheel gebruikt te worden,
medewerking of toestemming behoeft van een of meer andere
appartementseigenaars, van de vereniging van eigenaars of
van haar organen, of waarin de vereniging of haar organen
voor het verrichten van zodanige handeling toestemming
behoeven van een of meer appartementseigenaars, kan die
medewerking of toestemming op verzoek van degeen die haar
behoeft, worden vervangen door een machtiging van de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin
het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. De
machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of
toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene
die haar moet geven zich niet verklaart.
2. Gaat
de handeling met kosten gepaard, dan kan de kantonrechter op
verzoek van een appartementseigenaar of van de vereniging
van eigenaars tevens bepalen in welke verhouding alle of
bepaalde appartementseigenaars of de vereniging van
eigenaars in de kosten moeten bijdragen.
3.
Betreft het de aanbrenging van een nieuw werk of nieuwe
installatie, dan kan de kantonrechter desverzocht ook een
regeling vaststellen, bepalende dat en in welke verhouding
de appartementseigenaars van alle of bepaalde
appartementsrechten de kosten van onderhoud van het werk of
de installatie in de toekomst zullen dragen.
Artikel 122
1.
Overgang onder bijzondere titel of toedeling van een
appartementsrecht omvat, voor zover niet anders is bepaald,
mede de als appartementseigenaar verkregen rechten.
2. Na de
overgang of toedeling moet de verkrijger onverwijld
schriftelijk aan de vereniging van eigenaars mededeling doen
van zijn verkrijging.
3. Voor
de ter zake van het verkregene verschuldigde bijdragen die
in het lopende of het voorafgaande boekjaar opeisbaar zijn
geworden of nog zullen worden, zijn de verkrijger en de
vroegere appartementseigenaar hoofdelijk aansprakelijk.
4. In
het reglement kan worden bepaald in hoeverre voor bijdragen,
genoemd in het vorige lid, alleen de vroegere eigenaar of
alleen de verkrijger aansprakelijk zal zijn. In het
reglement kan ook worden bepaald dat voor bepaalde bijdragen
die later opeisbaar worden de vroegere appartementseigenaar
in plaats van de verkrijger verbonden zal zijn.
5. De
notaris draagt zorg dat aan de akte van overdracht of
toedeling een door het bestuur van de vereniging van
eigenaars afgegeven verklaring wordt gehecht, die met
betrekking tot de in lid 3 genoemde bijdragen waarvoor de
verkrijger aansprakelijk zal zijn, een opgave inhoudt van
hetgeen de betrokken appartementseigenaar op de dag van de
overdracht of toedeling aan de vereniging schuldig is. De
verkrijger is jegens de vereniging niet verder aansprakelijk
dan tot het bedrag dat uit de opgave blijkt.
6. De
verklaring houdt tevens een opgave in van de omvang van het
reservefonds van de vereniging, bedoeld in artikel 126 lid
1.
Artikel 123
1. In
geval van vruchtgebruik van een appartementsrecht treedt de
vruchtgebruiker in de plaats van de appartementseigenaar ten
aanzien van de aansprakelijkheid voor de gezamenlijke
schulden en de aan de gezamenlijke appartementseigenaars en
de vereniging van eigenaars verschuldigde bijdragen. De
vruchtgebruiker is echter bevoegd de door hem betaalde
bedragen, voor zover zij niet betrekking hebben op de gewone
lasten en herstellingen, bij het einde van het vruchtgebruik
van de appartementseigenaar terug te vorderen.
2.
Wanneer de appartementseigenaar schulden of bijdragen als
bedoeld in lid 1 heeft voldaan, kan hij van de
vruchtgebruiker vorderen dat deze hem de betaalde bedragen,
vermeerderd met de rente vanaf de dag der betaling,
teruggeeft voor zover zij op gewone lasten en herstellingen
betrekking hebben. Van de andere door de
appartementseigenaar betaalde bedragen is de vruchtgebruiker
slechts de rente van de dag der betaling tot het einde van
het vruchtgebruik verschuldigd.
3.
Tenzij bij de instelling van het vruchtgebruik anders wordt
bepaald wordt het aan een appartementsrecht verbonden
stemrecht in de vergadering van eigenaars uitgeoefend door
de vruchtgebruiker.
4.
Artikel 122 is van overeenkomstige toepassing bij de
vestiging, bij overdracht en bij het einde van het
vruchtgebruik van een appartementsrecht.
Afdeling 2. De vereniging van eigenaars
Artikel 124
1. De
vereniging van eigenaars is een rechtspersoon.
2. Titel
1 van Boek 2 is van toepassing behoudens de artikelen 4, 6,
13 lid 2, 17, 18, 19 leden 1-3, lid 4, tweede zin, lid 6,
tweede zin, en lid 7, 20, 21 en 22 en met inachtneming van
de in de volgende artikelen van de onderhavige titel
aangegeven afwijkingen.
3. Titel
2 van Boek 2 is slechts van toepassing voor zover de
onderhavige afdeling daarnaar verwijst.
Artikel 125
1. Aan
de vergadering van eigenaars komen in de vereniging alle
bevoegdheden toe, die niet door wet of statuten aan andere
organen zijn opgedragen.
2.
Iedere appartementseigenaar is van rechtswege lid van de
vereniging van eigenaars. Wanneer een lid ophoudt
appartementseigenaar te zijn, eindigt zijn lidmaatschap van
rechtswege.
3.
Artikel 40 lid 2 van Boek 2 is van toepassing.
Artikel 126
1. De
vereniging van eigenaars voert het beheer over de
gemeenschap, met uitzondering van de gedeelten die bestemd
zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De
vereniging houdt een reservefonds in stand ter bestrijding
van andere dan de gewone jaarlijkse kosten.
2. De
vereniging kan binnen de grenzen van haar bevoegdheid de
gezamenlijke appartementseigenaars in en buiten rechte
vertegenwoordigen.
3. De
vereniging ziet toe op de nakoming van de verplichtingen die
voor de appartementseigenaars uit het bij of krachtens de
wet en het reglement bepaalde jegens elkander voortvloeien
en kan te dien einde in rechte tegen hen optreden. Onder
appartementseigenaars wordt hier begrepen hij die een
gebruiksrecht aan een appartementseigenaar ontleent.
Artikel 127
1. Alle
appartementseigenaars hebben toegang tot de vergadering van
eigenaars. De besluiten worden genomen bij volstrekte
meerderheid van de uitgebrachte stemmen, voor zover de
statuten niet anders bepalen.
2.
Tenzij de statuten anders bepalen, wordt de voorzitter van
de vergadering van eigenaars door de vergadering uit de
leden der vereniging benoemd. Zowel de voorzitter als het
bestuur van de vereniging zijn bevoegd de vergadering bijeen
te roepen.
3. In
geval van ondersplitsing komen de stemmen van de
appartementseigenaar wiens recht is gesplitst, toe aan de
gerechtigden tot de door de ondersplitsing ontstane
appartementsrechten. Deze stemmen worden in de vergadering
van eigenaars uitgebracht door het bestuur van de bij de
ondersplitsing opgerichte vereniging van eigenaars. De
stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht. De
gerechtigden tot de door de ondersplitsing ontstane
appartementsrechten zijn bevoegd de vergadering van
eigenaars bij te wonen. Het bestuur, bedoeld in de tweede
zin, is bevoegd om in de vergadering het woord te voeren.
Artikel 128
1. De
vergadering van eigenaars is bevoegd regels te stellen
betreffende het gebruik van de gedeelten die niet bestemd
zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, voor zover
het reglement daarover geen bepalingen bevat.
2.
Iedere appartementseigenaar kan een gebruiker vragen te
verklaren of hij bereid is een in het vorige lid bedoelde
regel na te leven. Is de gebruiker daartoe niet bereid of
verklaart hij zich niet, dan kan de kantonrechter binnen
wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte
daarvan is gelegen, op verzoek van iedere
appartementseigenaar beslissen dat de regel ten aanzien van
de gebruiker komt te gelden.
Artikel 129
1. Voor
de toepassing van artikel 14 van Boek 2 wordt de akte van
splitsing gelijkgesteld met de statuten.
2. Voor
de toepassing van artikel 15 lid 1 onder c van Boek 2
geldt het reglement dat krachtens artikel 111 onder d
deel van de akte van splitsing uitmaakt, niet als een
reglement.
Artikel 130
1. In
afwijking van artikel 15 lid 3 van Boek 2 geschiedt de
vernietiging van een besluit van een orgaan van de
vereniging van eigenaars door een uitspraak van de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin
het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen, op
verzoek van degene die de vernietiging krachtens dit lid kan
vorderen.
2. Het
verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand
na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis
genomen of heeft kunnen kennis nemen.
3. De
verzoeker, alle andere stemgerechtigden en de vereniging van
eigenaars worden bij name opgeroepen om op het verzoek te
worden gehoord. Hoger beroep kan slechts worden ingesteld
binnen een maand na de dagtekening der eindbeschikking.
4. De
rechter voor wie het verzoek aanhangig is, is bevoegd het
besluit te schorsen totdat op het verzoek onherroepelijk is
beslist.
Artikel 131
1. Het
bestuur van de vereniging wordt gevormd door één bestuurder,
tenzij de statuten bepalen dat er twee of meer zullen zijn.
In het laatste geval wordt de vereniging, voor zover in de
statuten niet anders is bepaald, tegenover derden door ieder
der bestuurders vertegenwoordigd.
2. Het
bestuur wordt door de vergadering van eigenaars, al dan niet
uit de leden, benoemd en kan te allen tijde door haar worden
geschorst of ontslagen. Een veroordeling tot herstel van de
dienstbetrekking tussen de vereniging en een bestuurder kan
door de rechter niet worden uitgesproken.
3. Voor
zover de statuten niet anders bepalen, beheert het bestuur
de middelen der vereniging en draagt het zorg voor de
tenuitvoerlegging van de besluiten van de vergadering van
eigenaars.
4. Bij
besluit van de vergadering van eigenaars kan van het vorige
lid worden afgeweken en kunnen aan het bestuur aanwijzingen
met betrekking tot de uitoefening van zijn taak worden
gegeven. Deze besluiten kunnen niet worden ingeroepen tegen
de wederpartij, tenzij zij haar bekend waren of behoorden te
zijn.
Artikel 132
De appartementseigenaars en de gebruikers
van de voor het gebruik als afzonderlijk geheel bestemde
gedeelten zijn verplicht een bestuurder en door hem aan te
wijzen personen toegang tot die gedeelten te verschaffen,
wanneer dit voor de vervulling van de taak van het bestuur
noodzakelijk is.
Artikel 133
1. Bij
belet of ontstentenis van het bestuur wordt dit vervangen
door de voorzitter van de vergadering van eigenaars, tenzij
in de statuten of door de vergadering een andere voorziening
is getroffen.
2. In
gevallen waarin de vereniging of de gezamenlijke
appartementseigenaars een belang hebben, tegenstrijdig met
dat van een bestuurder, treedt de voorzitter van de
vergadering van eigenaars bij belet of ontstentenis van
andere bestuurders eveneens in de plaats van het bestuur.
Artikel 134
1.
Exploiten en kennisgevingen, gericht tot de gezamenlijke
appartementseigenaars, kunnen aan de persoon of de
woonplaats van een bestuurder van de vereniging worden
gedaan; zij behoeven dan niet de namen en de woonplaatsen
van de appartementseigenaars te bevatten.
2. De
bestuurder deelt de appartementseigenaars onverwijld de
inhoud van het exploit of de kennisgeving mede.
Artikel 135
De artikelen 45 lid 4 en 48 van Boek 2
zijn van toepassing.
Afdeling 3. Rechten uit
verzekeringsovereenkomsten
Artikel 136
1. Hij,
die krachtens het reglement verplicht is het gebouw te doen
verzekeren, vertegenwoordigt de gezamenlijke
appartementseigenaars bij de uitoefening van de rechten die
uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeien, en voert voor
hen het beheer over de ontvangen verzekeringspenningen.
2. Zodra
tot herstel is besloten, worden de verzekeringspenningen tot
dit doel aangewend, met dien verstande dat de verhouding van
de waarde van de appartementsrechten na het herstel dezelfde
moet zijn als tevoren. Bij de berekening van die waarde mag
echter geen rekening worden gehouden met veranderingen die
een appartementseigenaar in het gedeelte dat bestemd is om
als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt, heeft
aangebracht, tenzij hij hiervan tijdig aan de vereniging van
eigenaars had kennis gegeven.
3.
Herstel van schade aan gedeelten die bestemd zijn om als
afzonderlijk geheel te worden gebruikt, geschiedt zoveel
mogelijk volgens de aanwijzingen van de
appartementseigenaars die het aangaat.
4.
Uitkering aan ieder der appartementseigenaars van het hem
toekomende aandeel in de assurantiepenningen geschiedt
slechts:
a. indien na het herstel van de
schade een overschot aanwezig blijkt te zijn;
b. indien drie maanden zijn
verlopen nadat de vergadering van eigenaars heeft
besloten van herstel of verder herstel af te zien;
c. in geval van opheffing van de
splitsing.
5. Van
het bepaalde in dit artikel kan in het reglement worden
afgeweken.
Artikel 138
Geschillen over herstel of de wijze van
herstel beslist de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin het gebouw of het grootste gedeelte
daarvan is gelegen, op verzoek van de meest gerede partij. Hoger
beroep kan slechts worden ingesteld binnen een maand na de
dagtekening van de eindbeschikking.
Afdeling 4. Wijziging van de akte van
splitsing en opheffing van de splitsing
Artikel 139
1. De
akte van splitsing kan worden gewijzigd met medewerking van
alle appartementseigenaars.
2. De
wijziging kan ook met medewerking van het bestuur
geschieden, indien het tot de wijziging strekkende besluit
is genomen in de vergadering van eigenaars met een
meerderheid van ten minste vier vijfden van het aantal
stemmen dat aan de appartementseigenaars toekomt of met een
zodanige grotere meerderheid als in de akte van splitsing is
bepaald. De termijn voor oproeping tot de vergadering
bedraagt ten minste vijftien dagen. Artikel 42 leden 1,
eerste zin, 2, eerste zin, en 3 van Boek 2 is van
overeenkomstige toepassing.
3.
Wijziging van de akte van splitsing behoeft de toestemming
van hen die een beperkt recht op een appartementsrecht
hebben, van hen die daarop beslag hebben gelegd alsmede,
indien een recht van erfpacht of opstal in de splitsing is
betrokken, van de grondeigenaar. Ook is toestemming nodig
van de gerechtigden tot een erfdienstbaarheid, indien hun
recht door de wijziging wordt verkort.