|
Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer
I. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In dit wetboek worden onder
schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die
blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en
drijven of hebben gedreven.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen
schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit
wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van
dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken,
die schepen zijn.
3.
Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden
bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw,
hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na
voltooiing van het schip zal zijn.
4. Onder
scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen
bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip
duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te
herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen,
die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan
kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van
betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht.
5.
Behoudens afwijkende bedingen wordt het scheepstoebehoren
tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
6. Voor
de toepassing van het derde, het vierde en het vijfde lid
van dit artikel wordt onder schip mede verstaan een schip in
aanbouw.
Artikel 2
1. In
dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die
als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld
in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen die niet
teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie
uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen schepen, die geen
zeeschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit
wetboek als zeeschip worden aangewezen, dan wel bepalingen
van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die zeeschepen zijn.
3. In
dit wetboek worden onder zeevissersschepen verstaan
zeeschepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in
hoofdzaak voor de bedrijfsmatige visvangst zijn bestemd.
Artikel 3
1. In
dit wetboek worden onder binnenschepen verstaan de schepen
die als binnenschip teboekstaan in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen
die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie noch uitsluitend noch in hoofdzaak voor drijven
in zee zijn bestemd.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen schepen, die geen
binnenschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van
dit wetboek als binnenschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden
verklaard op schepen, die binnenschepen zijn.
Artikel 3a
1. In
dit wetboek worden onder luchtvaartuigen verstaan toestellen
die in de dampkring kunnen worden gehouden ten gevolge van
krachten die de lucht daarop uitoefent, met uitzondering van
toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn zich te
verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden
tussen het toestel en het oppervlak der aarde.
2. Het
casco, de motoren, de luchtschroeven, de radiotoestellen en
alle andere voorwerpen bestemd voor gebruik in of aan het
toestel, onverschillig of zij daarin of daaraan zijn
aangebracht dan wel tijdelijk ervan zijn gescheiden, zijn
bestanddeel van het luchtvaartuig.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen
luchtvaartuigen zijn, voor de toepassing van bepalingen van
dit wetboek als luchtvaartuig worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden
verklaard op zaken die luchtvaartuigen zijn.
Artikel 3b
In dit wetboek wordt verstaan onder:
a. spoorvoertuig: voertuig,
bestemd voor het verkeer over spoorwegen;
b. spoorweginfrastructuur:
spoorwegen als bedoeld in artikel 1 onder b van de
Spoorwegwet en daarbij horende spoorweginfrastructuur
als bedoeld in artikel 1 onder c van de Spoorwegwet;
c. beheerder van de
spoorweginfrastructuur: de beheerder bedoeld in artikel
1 onder h van de Spoorwegwet dan wel, indien die
bepaling niet van toepassing is, degene die de
spoorweginfrastructuur ter beschikking stelt.
d. spoorwegonderneming: elke
spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 1 onder f van
de Spoorwegwet.
Artikel 4
Onder voorbehoud van artikel 552 worden in
dit boek de Dollart, de Waddenzee, het IJsselmeer, de stromen,
de riviermonden en andere zo nodig voor de toepassing van
bepalingen van dit boek bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen wateren, binnen zo nodig nader bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen grenzen, als binnenwater beschouwd.
Artikel 5
In dit wetboek worden onder opvarenden
verstaan alle zich aan boord van een schip bevindende personen.
Artikel 6
In dit wetboek worden de kapitein en de
schipper aangemerkt als lid van de bemanning.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 8
In dit wetboek worden onder bagage
verstaan de zaken, die een vervoerder in verband met een door
hem gesloten overeenkomst van personenvervoer op zich neemt te
vervoeren met uitzondering van zaken, vervoerd onder een het
vervoer van zaken betreffende overeenkomst.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 10
In dit wetboek wordt onder reder verstaan
de eigenaar van een zeeschip.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 12
In dit boek leidt strijd met een dwingende
wetsbepaling tot ambtshalve toe te passen nietigheid van de
rechtshandeling.
Artikel 13
Dit boek laat onverlet enige voor
Nederland van kracht zijnde internationale overeenkomst of enige
wet die de aansprakelijkheid voor kernschade regelt.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1992]
Titel 2. Algemene bepalingen betreffende
vervoer
Afdeling 1. Overeenkomst van
goederenvervoer
Artikel 20
De overeenkomst van goederenvervoer is de
overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij (de afzender) verbindt zaken te
vervoeren.
Artikel 21
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen.
Artikel 22
Onverminderd artikel 21 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 23
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade, voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid
die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en
voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft
kunnen verhinderen.
Artikel 24
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 25
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. Hij is verplicht de vervoerder de schade te
vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging lijdt.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 26
De afzender is verplicht de vervoerder
omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig
al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de
vervoerder deze gegevens kent.
Artikel 27
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die
van de zijde van de afzender voor het vervoer vereist zijn, door
welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 28
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen
zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen,
doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 29
De vracht is verschuldigd na aflevering
van de zaken ter bestemming.
Artikel 30
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken,
tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van
dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken,
die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of
zal worden terzake van het vervoer van die zaken. Hij kan
dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op die zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de
betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat
of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De
vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor
hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan
de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak
ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 31
Wordt de vervoerder dan wel de afzender of
een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
goederenvervoer.
Afdeling 2. Overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer
Artikel 40
De overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij
de vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer
deels over zee, over binnenwateren, over de weg, over
spoorwegen, door de lucht of door een pijpleiding dan wel door
middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 41
Bij een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat
deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 42
1.
Indien de gecombineerd vervoerder de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming aflevert in de staat waarin hij
hen heeft ontvangen en niet is komen vast te staan, waar de
omstandigheid, die het verlies, de beschadiging of de
vertraging veroorzaakte, is opgekomen, is hij voor de
daardoor ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst,
dat hij op geen der delen van het vervoer, waar het verlies,
de beschadiging of de vertraging kan zijn opgetreden,
daarvoor aansprakelijk is.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 43
1.
Indien de gecombineerd vervoerder aansprakelijk is voor
schade ontstaan door beschadiging, geheel of gedeeltelijk
verlies, vertraging of enig ander schadeveroorzakend feit en
niet is komen vast te staan waar de omstandigheid, die
hiertoe leidde, is opgekomen, wordt zijn aansprakelijkheid
bepaald volgens de rechtsregelen die toepasselijk zijn op
dat deel of die delen van het vervoer, waarop deze
omstandigheid kan zijn opgekomen en waaruit het hoogste
bedrag aan schade vergoeding voortvloeit.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 44
1. De
gecombineerd vervoerder kan op verlangen van de afzender,
geuit alvorens zaken te zijner beschikking worden gesteld,
terzake van het vervoer een document (CT-document) opmaken,
dat door hem wordt gedateerd en ondertekend en aan de
afzender wordt afgegeven. De ondertekening kan worden
gedrukt of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van
oorsprong worden vervangen.
2. Op
het CT-document worden vermeld:
a. de afzender,
b. de ten vervoer ontvangen zaken
met omschrijving van de algemene aard daarvan, zoals
deze omschrijving gebruikelijk is,
c. een of meer der volgende
gegevens met betrekking tot de onder b bedoelde
zaken:
1°. aantal,
2°. gewicht,
3°. volume,
4°. merken,
d. de plaats waar de gecombineerd
vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen,
e. de plaats waarheen de
gecombineerd vervoerder op zich neemt de zaken te
vervoeren,
f. de geadresseerde die, ter keuze
van de afzender, wordt aangegeven hetzij bij name of
andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of
van een ander, hetzij als toonder. De enkele woorden
"aan order" worden geacht de order van de afzender aan
te geven,
g. de gecombineerd vervoerder,
h. het aantal exemplaren van het
document indien dit in meer dan één exemplaar is
uitgegeven,
i. al hetgeen overigens afzender
en gecombineerd vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3. De
aanduidingen vermeld in het tweede lid onder a tot en
met c worden in het CT-document opgenomen aan de hand
van door de afzender te verstrekken gegevens, met dien
verstande dat de gecombineerd vervoerder niet verplicht is
in het CT-document enig gegeven met betrekking tot de zaken
op te geven of te noemen, waarvan hij redelijke gronden
heeft te vermoeden, dat het niet nauwkeurig de in
werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeeft of tot het
toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
De gecombineerd vervoerder wordt vermoed geen redelijke
gelegenheid te hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht
van gestorte of gepompte zaken te toetsen. De afzender staat
in voor de juistheid, op het ogenblik van de
inontvangstneming van de zaken, van de door hem verstrekte
gegevens.
4.
Partijen zijn verplicht elkaar de schade te vergoeden die
zij lijden door het ontbreken van in het tweede lid genoemde
gegevens.
Artikel 45
De verhandelbare exemplaren van het
CT-document, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in
het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor
alle. Niet verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden
aangeduid.
Artikel 46
1. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst zal plaatsvinden als vervoer
over zee of binnenwateren, wordt het CT-document als
cognossement aangemerkt.
2. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst over de weg zal plaatsvinden,
wordt het CT-document als vrachtbrief aangemerkt.
3. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst over spoorwegen of door de
lucht zal plaatsvinden, wordt het CT-document, mits het mede
aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet, als voor
dergelijk vervoer bestemd document aangemerkt.
Artikel 47
Indien een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is gesloten en bovendien een CT-document is
afgegeven, wordt, behoudens artikel 51 tweede lid, tweede
volzin, de rechtsverhouding tussen de gecombineerd vervoerder en
de afzender door de bedingen van de overeenkomst van
gecombineerd goederenvervoer en niet door die van dit
CT-document beheerst. Behoudens het in artikel 51 eerste lid
gestelde vereiste van houderschap van het CT-document, strekt
dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door
de gecombineerd vervoerder.
Artikel 48
1. Het
CT-document bewijst, behoudens tegenbewijs, dat de
gecombineerd vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel
zoals deze daarin zijn omschreven. Tegenbewijs tegen het
CT-document wordt niet toegelaten, wanneer het is
overgedragen aan een derde te goeder trouw.
2.
Indien in het CT-document de clausule: "aard, gewicht,
aantal, volume of merken onbekend" of enige andere clausule
van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige in
het CT-document voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de
gecombineerd vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat hij
de aard, het gewicht, het aantal, het volume of de merken
der zaken heeft gekend of had behoren te kennen.
3. Een
CT-document, dat de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid
van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens tegenbewijs dat
ook jegens een derde mogelijk is, een vermoeden op dat de
gecombineerd vervoerder die zaak voor zover uiterlijk
zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4. Een
in het CT-document opgenomen waarde-opgave schept, behoudens
tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt niet de gecombineerd
vervoerder die haar kan betwisten.
5.
Verwijzingen in het CT-document worden geacht slechts die
bedingen daarin te voegen, die voor degeen, jegens wie
daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
6. Dit
artikel laat onverlet de bepalingen die aan cognossement of
vrachtbrief een grotere bewijskracht toekennen.
7.
Nietig is ieder beding, waarbij van het vijfde lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 49
Een CT-document aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 50
Levering van het CT-document vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt
als levering van die zaken.
Artikel 51
1.
Indien een CT-document is afgegeven, heeft uitsluitend de
regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige
wijze houder is geworden, jegens de gecombineerd vervoerder
het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op deze
rustende verplichtingen te vorderen. Onverminderd dit recht
op aflevering heeft hij - en hij alleen - voor zover de
gecombineerd vervoerder aansprakelijk is wegens het niet
nakomen van de op hem rustende verplichting zaken zonder
vertraging ter bestemming af te leveren in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen, uitsluitend het recht te dier zake
schadevergoeding te vorderen.
2.
Jegens de houder van het CT-document, die niet de afzender
was, is de gecombineerd vervoerder gehouden aan en kan hij
een beroep doen op de bedingen van het CT-document. Jegens
iedere houder van het CT-document kan hij de daaruit
duidelijk kenbare rechten tot betaling geldend maken. Jegens
de houder van het CT-document, die ook de afzender was, kan
de gecombineerd vervoerder zich bovendien op de bedingen van
de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en op zijn
persoonlijke verhouding tot de afzender beroepen.
Artikel 52
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde CT-document heeft hij het beste recht,
die houder is van het exemplaar, waarvan ná de
gemeenschappelijke voorman, die houder was van al die
exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder
trouw en onder bezwarende titel.
Afdeling 3. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 60
De overeenkomst tot het doen vervoeren van
goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de
expediteur) zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever)
verbindt tot het te haren behoeve met een vervoerder sluiten van
een of meer overeenkomsten van vervoer van door deze wederpartij
ter beschikking te stellen zaken, dan wel tot het te haren
behoeve maken van een beding in een of meer zodanige
vervoerovereenkomsten.
Artikel 61
1. Voor
zover de expediteur de overeenkomst tot het sluiten waarvan
hij zich verbond, zelf uitvoert, wordt hij zelf aangemerkt
als de vervoerder uit die overeenkomst.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 62
1.
Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn
gesteld, is de expediteur, voor zover hij een
vervoerovereenkomst die hij met een ander zou sluiten, zelf
uitvoerde, verplicht zulks onverwijld aan de opdrachtgever
die hem kennis gaf van de schade mede te delen.
2. Doet
de expediteur de in het eerste lid bedoelde mededeling niet,
dan is hij, wanneer hij daardoor niet tijdig als vervoerder
is aangesproken, naast vergoeding van de schade die de
opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de
schadevergoeding, die hij zou hebben moeten voldoen, wanneer
hij wel tijdig als vervoerder zou zijn aangesproken.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 63
1.
Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn
gesteld, is de expediteur voor zover hij de
vervoerovereenkomst, welke hij met een ander zou sluiten,
niet zelf uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld
te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering
van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de
opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te
stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan
verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot
verhaal van opgekomen schade.
2. De
opdrachtgever verkrijgt jegens degeen, met wie de expediteur
heeft gehandeld, van het ogenblik af, waarop hij de
expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen wil
uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn
toegekomen, wanneer hij zelf als afzender de overeenkomst
zou hebben gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden,
wanneer hij overlegt een door de expediteur - of in geval
van diens faillissement door diens curator - af te geven
verklaring, dat tussen hem en de expediteur ten aanzien van
de zaken een overeenkomst tot het doen vervoeren daarvan
werd gesloten. Indien ten aanzien van de expediteur de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is, geeft de bewindvoerder de verklaring af, tenzij de
overeenkomst tot het doen vervoeren tot stand is gekomen na
de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling.
3. Komt
de expediteur een verplichting als in het eerste lid bedoeld
niet na, dan is hij, naast vergoeding van de schade die de
opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de
schadevergoeding die de opdrachtgever van hem had kunnen
verkrijgen, wanneer hij de overeenkomst die hij sloot, zelf
had uitgevoerd, verminderd met de schadevergoeding die de
opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder verkreeg.
4.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 64
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd ter beschikking zijn.
Artikel 65
1.
Alvorens zaken ter beschikking zijn gesteld, is de
opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij is
verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze ten
gevolge van de opzegging lijdt.
2. De
opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 66
1. De
opdrachtgever is verplicht de expediteur omtrent de zaken
alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven
te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en
waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de
expediteur deze gegevens kent.
2. De
expediteur is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
Artikel 67
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
documenten, die van de zijde van de opdrachtgever voor het
uitvoeren van de opdracht vereist zijn, door welke oorzaak dan
ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 68
1.
Wanneer vóór of bij de terbeschikkingstelling van de zaken
omstandigheden aan de zijde van een der partijen zich opdoen
of naar voren komen, die haar wederpartij bij het sluiten
van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die,
indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor haar grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op
andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd
de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 69
1. De
expediteur is gerechtigd afgifte van zaken of documenten,
die hij in verband met de overeenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
overeenkomst tot doen vervoeren recht heeft op aflevering
daarvan, tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging
van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de
beslaglegger voortvloeit.
2. De
expediteur kan het recht van retentie uitoefenen op zaken of
documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder
zich heeft, voor hetgeen hem terzake van de overeenkomst
door zijn opdrachtgever verschuldigd is of zal worden. Hij
kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de expediteur is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de
betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat
of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De
expediteur behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor
hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de expediteur toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak of het document onder zich kreeg, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever jegens die
derde hem die zaak of dat document ter beschikking te
stellen.
Artikel 70
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan
wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld,
is de expediteur, die te dier zake door zijn wederpartij buiten
overeenkomst wordt aangesproken, jegens deze niet verder
aansprakelijk dan hij dit zou zijn op grond van de door hen
gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren van die zaak.
Artikel 71
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan
wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld,
is de expediteur, die te dier zake buiten overeenkomst wordt
aangesproken, behoudens de artikelen 361 tot en met 366, artikel
880 en artikel 1081, niet verder aansprakelijk dan hij dit zou
zijn tegenover zijn opdrachtgever.
Artikel 72
Indien een vordering, als genoemd in het
vorige artikel, buiten overeenkomst wordt ingesteld tegen een
ondergeschikte van de expediteur, dan is deze ondergeschikte,
mits hij de schade veroorzaakte in de werkzaamheden, waartoe hij
werd gebruikt, niet verder aansprakelijk dan een dergelijke
expediteur, die hem tot deze werkzaamheden gebruikte, dit op
grond van het vorige artikel zou zijn.
Artikel 73
Het totaal van de bedragen, verhaalbaar op
de expediteur, al dan niet gezamenlijk met het bedrag,
verhaalbaar op de wederpartij van degene die de vordering
instelt, en hun ondergeschikten mag, behoudens in geval van
schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de
aangesprokene, geschied hetzij met het opzet die schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen
het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst
is verschuldigd.
Afdeling 4. Overeenkomst van
personenvervoer
Artikel 80
1. De
overeenkomst van personenvervoer is de overeenkomst, waarbij
de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere
partij verbindt een of meer personen (reizigers) te
vervoeren.
2. De
overeenkomst van personenvervoer als omschreven in artikel
100 is geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van
deze afdeling.
Artikel 81
De vervoerder is aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door dood of letsel in verband met het vervoer aan
de reiziger overkomen.
Artikel 82
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door
dood of letsel, voor zover deze dood of dit letsel is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk
een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen
verhinderen.
2. De
vervoerder kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid voor
schade door dood of letsel van de reiziger veroorzaakt te
ontheffen, beroep doen op de gebrekkigheid of het slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal
waarvan hij zich voor het vervoer bedient.
Artikel 83
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de
vervoerder daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 84
Nietig is ieder voor het aan de reiziger
overkomen voorval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel 81
op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt
verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 85
1. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet
van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste
instelt.
2. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is in geval van dood of
letsel van de reiziger beperkt tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of
bedragen.
Artikel 86
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer
aanwezig is.
Artikel 87
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde
voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 88
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch
die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet
of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder
bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het
vervoermiddel te verwijderen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de
reiziger en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 89
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die
diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de
vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 90
1. De
wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden, die deze ten gevolge van de opzegging
lijdt.
2. Zij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van
het vervoermiddel zou worden vertraagd.
3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 91
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een hunner buiten
overeenkomst aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met
366 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 92
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
personenvervoer.
Afdeling 5. Overeenkomst tot binnenlands
openbaar personenvervoer
Artikel 100
1. De
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze afdeling
is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de ene
partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij
verbindt aan boord van een vervoermiddel, geen luchtvaartuig
noch luchtkussenvoertuig zijnde, een of meer personen
(reizigers) en al dan niet hun handbagage binnen Nederland
hetzij over spoorwegen hetzij op andere wijze en dan volgens
een voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden
(dienstregeling) te vervoeren. Tijd- of reisbevrachting is,
voor zover het niet betreft vervoer over spoorwegen, geen
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze
afdeling.
2. Als
vervoerder in de zin van deze afdeling wordt tevens
beschouwd de instantie die op een mogelijkerwijs afgegeven
vervoerbewijs is vermeld. Wordt enig vervoerbewijs afgegeven
dan zijn de artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid en 186,
eerste lid van boek 2 niet van toepassing.
3. In
deze afdeling wordt onder handbagage verstaan de bagage met
inbegrip van levende dieren, die de reiziger als gemakkelijk
mee te voeren, draagbare dan wel met de hand verrijdbare
zaken op of bij zich heeft.
4. Bij
algemene maatregel van bestuur, die voor ieder vervoermiddel
onderling verschillende bepalingen kan bevatten, kunnen
zaken, die geen handbagage zijn, voor de toepassing van
bepalingen van deze afdeling als handbagage worden
aangewezen, dan wel bepalingen van deze afdeling niet van
toepassing worden verklaard op zaken, die handbagage zijn.
Artikel 101
1.
Indien een of meer vervoerders zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbinden tot vervoer met onderling al dan niet
van aard verschillende vervoermiddelen, gelden voor ieder
deel van het vervoer de op dat deel toepasselijke
rechtsregelen.
2.
Indien een voertuig dat voor het vervoer wordt gebezigd aan
boord van een schip wordt vervoerd, gelden voor dat deel van
het vervoer de op het vervoer te water toepasselijke
rechtsregelen, met dien verstande echter dat de vervoerder
zich niet kan beroepen op lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig die in de
tijd, dat de reiziger aan boord daarvan was, tot schade
leidden.
3. Bij
de overeenkomst waarbij de ene partij zich bij een en
dezelfde overeenkomst tegenover de andere partij verbindt
deels tot het vervoer van personen als bedoeld in artikel
100, deels tot ander vervoer, gelden voor ieder deel van het
vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 102
1.
Vervoer van personen omvat uitsluitend de tijd dat de
reiziger aan boord van het vervoermiddel is, daarin instapt
of daaruit uitstapt.
2.
Vervoer van personen per schip omvat bovendien de tijd dat
de reiziger te water wordt vervoerd tussen wal en schip of
tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht is
inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door
de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Het omvat echter niet de tijd dat de reiziger verblijft op
een ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander schip,
dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan hij
vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op een
kade of enige andere haveninstallatie.
Artikel 103
1.
Vervoer van handbagage omvat uitsluitend de tijd dat deze
aan boord van het vervoermiddel is, daarin wordt ingeladen
of daaruit wordt uitgeladen, alsmede de tijd dat zij onder
de hoede van de vervoerder is.
2.
Vervoer van handbagage per schip omvat bovendien de tijd dat
de handbagage te water wordt vervoerd tusen wal en schip of
tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht is
inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door
de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Het omvat echter niet de tijd dat de handbagage zich bevindt
op een ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander
schip, dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan
zij vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op
een kade of enige andere haveninstallatie, tenzij zij zich
daar onder de hoede van de vervoerder bevindt.
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 105
1.
De vervoerder is aansprakelijk
voor schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger
ten gevolge van een ongeval dat in verband met en tijdens
het vervoer aan de reiziger is overkomen.
2. In
afwijking van het eerste lid is de vervoerder niet
aansprakelijk, voor zover het ongeval is veroorzaakt door
een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft
kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
3.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal,
waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen
heeft kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet
begrepen een ander vervoermiddel aan boord waarvan het
vervoermiddel zich bevindt.
4. Bij
de toepassing van het tweede lid wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
5. In
geval van vervoer over spoorwegen worden de beheerders van
de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht,
beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder bij
de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder
zich bij het vervoer bedient.
Artikel 106
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van
handbagage of van een als bagage ten vervoer aangenomen
voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan, voor zover
dit verlies of deze beschadiging is ontstaan tijdens het
vervoer en is veroorzaakt
a. door een aan de reiziger
overkomen ongeval dat voor rekening van de vervoerder
komt, of
b. door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan
zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen.
2.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal
waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen
heeft kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet
begrepen een ander vervoermiddel aan boord waarvan het
vervoermiddel zich bevindt.
3. Bij
de toepassing van het eerste lid wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid die mede tot het voorval leidde voor rekening
van de vervoerder is.
4. In
geval van vervoer over spoorwegen worden de beheerders van
de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht,
beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder bij
de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder
zich voor het vervoer bedient.
5. Dit
artikel laat de artikelen 545 en 1006 onverlet.
Artikel 107
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het vervoermiddel gebrachte zaken, die
hij, indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan
boord van het vervoermiddel zou hebben toegelaten en waarvoor
hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele
schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of
behoorde te weten dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de
aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 108
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak
dan ook vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel is
veroorzaakt door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.
Artikel 109
1.
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld of nalatigheid van
de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
2.
Indien personen van wier hulp de vervoerder bij de
uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op verzoek
van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder
niet is verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in
opdracht van de reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 110
1. De in
deze afdeling bedoelde aansprakelijkheid van de vervoerder
is beperkt tot bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag of bedragen.
2. Dit
artikel laat de titels 7 en 12 van dit boek onverlet.
Artikel 111
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 112
Nietig is ieder vóór het aan de reiziger
overkomen ongeval, of vóór het verlies of de beschadiging van
handbagage of van als bagage ten vervoer aangenomen vaartuig of
schip en de zaken aan boord daarvan, gemaakt beding, waarbij de
ingevolge de artikelen 105 en 106 op de vervoerder drukkende
aansprakelijkheid of bewijslast wordt verminderd op andere wijze
dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 113
1. In
geval van verlies of beschadiging van handbagage wordt de
vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet
van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste
instelt.
Artikel 114
1.
Onverminderd artikel 107 en onverminderd artikel 179 van
Boek 6 is de reiziger aansprakelijk voor schade veroorzaakt
door zijn handeling of nalaten, dan wel door zijn handbagage
of een als bagage aangenomen voertuig of schip en de zaken
aan boord daarvan.
2. In
afwijking van het eerste lid is de reiziger niet
aansprakelijk, voor zover de schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
3. De
hoedanigheid of een gebrek van zijn handbagage, of een als
bagage aangenomen vaartuig of schip en de zaken aan boord
daarvan, wordt aangemerkt als een omstandigheid die een
zorgvuldig reiziger heeft kunnen vermijden en waarvan zulk
een reiziger de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
4. De
schade wordt aangemerkt het door de vervoerder naar zijn
redelijk oordeel vast te stellen bedrag te belopen, doch
indien de vervoerder meent dat de schade meer dan € 227
beloopt moet hij zulks bewijzen.
Artikel 115
Behoeft deze afdeling in het belang van
een goede uitvoering ervan nadere regeling, dan geschiedt dit
bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 116
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 en 1081
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 116a
De beheerder van de spoorweginfrastructuur
en een andere spoorwegonderneming die dezelfde
spoorweginfrastructuur gebruikt, kunnen zich beroepen op de
artikelen 365 en 366 op dezelfde voet als de daar bedoelde
ondergeschikten dit kunnen.
Afdeling 6. Overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen
Artikel 120
De overeenkomst van gecombineerd vervoer
van personen is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbindt dat het vervoer deels over zee, over
binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht dan
wel door middel van enige andere vervoerstechniek zal
geschieden.
Artikel 121
Bij een overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen gelden voor ieder deel van het vervoer de
op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
II. Zeerecht
Titel 3. Het zeeschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het zeeschip
Artikel 160
1.
Indien een zeeschip blijkens de openbare registers bedoeld
in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan twee of meer
personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een
rederij, indien zulks uitdrukkelijk bij akte is
overeengekomen en deze akte in die registers is
ingeschreven.
2. De
rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 161
Iedere mede-eigenaar is van rechtswege lid
der rederij. Wanneer een lid ophoudt eigenaar te zijn, eindigt
zijn lidmaatschap van rechtswege.
Artikel 162
De leden der rederij moeten zich jegens
elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de
billijkheid wordt gevorderd.
Artikel 163
In iedere rederij kan een boekhouder
worden aangesteld. Een vennootschap is tot boekhouder
benoembaar.
Artikel 164
De boekhouder kan slechts met toestemming
van de leden der rederij overgaan tot enige buitengewone
herstelling van het schip of tot benoeming of ontslag van een
kapitein.
Artikel 165
De boekhouder geeft aan ieder lid der
rederij op diens verlangen kennis en opening van alle
aangelegenheden de rederij betreffende en inzage van alle
boeken, brieven en documenten, op zijn beheer betrekking
hebbende.
Artikel 166
De boekhouder is verplicht, zo dikwijls
een terzake mogelijk bestaand gebruik dit medebrengt, doch in
ieder geval telkens na verloop van een jaar en bij het einde van
zijn beheer, binnen zes maanden aan de leden der rederij
rekening en verantwoording te doen van zijn beheer met
overlegging van alle bewijsstukken daarop betrekking hebbende.
Hij is verplicht aan ieder van hen uit te keren wat hem toekomt.
Artikel 167
Ieder lid der rederij is verplicht de
rekening en verantwoording van de boekhouder binnen drie maanden
op te nemen en te sluiten.
Artikel 168
De goedkeuring der rekening en
verantwoording door de meerderheid van de leden der rederij
bindt slechts hen, die daartoe hebben medegewerkt, behoudens dat
zij ook een lid dat aan de rekening en verantwoording niet heeft
medegewerkt bindt, wanneer dit lid nalaat de rekening en
verantwoording in rechte te betwisten binnen één jaar, nadat hij
daarvan heeft kunnen kennis nemen en nadat de goedkeuring door
de meerderheid hem schriftelijk is medegedeeld.
Artikel 169
De betrekking van de boekhouder eindigt,
indien over hem een provisionele bewindvoerder is benoemd, hij
onder curatele is gesteld, terzake van krankzinnigheid in een
gesticht is geplaatst, in staat van faillissement is verklaard
of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Artikel 170
1. Is de
boekhouder lid der rederij, dan heeft hij, indien de leden
zijn betrekking doen eindigen of hem een dringende reden
hebben gegeven op grond waarvan hij zijnerzijds de
betrekking doet eindigen, het recht te verlangen, dat zijn
aandeel door de overige leden wordt overgenomen tegen
zodanige prijs als deskundigen het op het tijdstip, waarop
hij de overneming verlangt, waard zullen achten. Hij heeft
dit recht niet, indien hij aan de leden der rederij een
dringende reden heeft gegeven op grond waarvan zij de
betrekking doen eindigen.
2. Hij
moet van zijn verlangen tot overneming kennis geven aan de
leden der rederij binnen een maand, nadat zijn betrekking is
geëindigd. Wanneer aan zijn verlangen niet binnen een maand
is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan
hem is voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden
door de boekhouder gedaan verzoek bevelen dat het schip
wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald.
3. Door
ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt
van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen,
evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 171
1. Alle
besluiten, de aangelegenheden der rederij betreffende,
worden genomen bij meerderheid van stemmen van de leden der
rederij.
2. Het
kleinste aandeel geeft één stem; ieder groter aandeel zoveel
stemmen als het aantal malen, dat in dit aandeel het
kleinste begrepen is.
3.
Besluiten tot
a. aanstelling van een boekhouder
die geen lid is van de rederij,
b. uitbreiding van de bevoegdheid
van de boekhouder buiten de grenzen getrokken door
artikel 178 eerste lid,
c. het sluiten, voor meer dan zes
maanden, van een rompbevrachting, een tijdbevrachting of
een overeenkomst, als genoemd in artikel 531 of artikel
991,
d. ontbinding der rederij tijdens
de loop van een overeenkomst tot vervoer, van een
overeenkomst waarbij het schip ter beschikking van een
ander is gesteld, of van een ter visvangst ondernomen
reis,
vereisen eenstemmigheid.
Artikel 172
Op rederijen van zeevissersschepen is
artikel 171 derde lid, onder a niet van toepassing.
Artikel 173
Indien tengevolge van staking der stemmen
de exploitatie van het schip wordt belet, kan de rechter op een
binnen twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek
bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt
door de rechter bepaald.
Artikel 174
1.
Indien is besloten omtrent enige buitengewone herstelling
van het schip, omtrent benoeming of ontslag van de kapitein,
dan wel omtrent het aangaan van een vervoerovereenkomst
waarbij het schip ter beschikking van een ander wordt
gesteld, kan ieder lid der rederij, dat tot het besluit niet
heeft medegewerkt of daartegen heeft gestemd, verlangen dat
zij die vóór het besluit hebben gestemd, zijn aandeel
overnemen tegen zodanige prijs, als deskundigen het op het
tijdstip, waarop hij de overneming verlangt, waard zullen
achten. Hij moet van zijn verlangen tot overneming
kennisgeven aan de boekhouder of, indien er geen boekhouder
is, aan hen, die voorstemden, binnen een maand nadat het
besluit te zijner kennis is gebracht. Wanneer aan zijn
verlangen niet binnen een maand is voldaan of wanneer niet
binnen twee weken na het overnemen van zijn aandeel de
daarvoor bepaalde prijs aan hem is voldaan, kan de rechter
op een binnen twee maanden door het lid der rederij gedaan
verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van
verkoop wordt door de rechter bepaald.
2. Door
ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt
van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen,
evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 175 [Vervallen per 19-07-2006]
Artikel 176
De leden der rederij moeten naar
evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven der
rederij, waartoe bevoegdelijk is besloten.
Artikel 177
De leden der rederij delen in de winst en
het verlies naar evenredigheid van hun aandeel in het schip.
Artikel 178
1. Is
een boekhouder aangesteld, dan is hij, onverminderd artikel
360 eerste lid en met uitsluiting van ieder lid der rederij,
in alles wat de normale exploitatie van het schip
medebrengt, bevoegd voor de rederij met derden te handelen
en de rederij te vertegenwoordigen.
2.
Indien de rederij in het handelsregister is ingeschreven
kunnen beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan
derden, die daarvan onkundig waren, niet worden
tegengeworpen, tenzij deze beperkingen uit dat register
blijken. Is de rederij niet in het handelsregister
ingeschreven, dan kunnen beperkingen van de bevoegdheid van
de boekhouder aan derden slechts worden tegengeworpen,
wanneer hun die bekend waren.
3. De
boekhouder heeft alle verplichtingen na te komen, die de wet
de reder oplegt.
Artikel 179
Indien de rederij in het handelsregister
is ingeschreven, kunnen de aanstelling van een boekhouder of het
eindigen van diens betrekking aan derden, die daarvan onkundig
waren, niet worden tegengeworpen zo lang niet inschrijving
daarvan in het handelsregister heeft plaats gehad. Is de rederij
niet in het handelsregister ingeschreven dan kunnen de
aanstelling van een boekhouder of het eindigen van diens
betrekking aan derden slechts worden tegengeworpen wanneer dit
hun bekend was.
Artikel 180
1.
Indien er geen boekhouder is, alsmede in geval van
ontstentenis of belet van de boekhouder, wordt de rederij
vertegenwoordigd en kan voor haar worden gehandeld door een
of meer harer leden, mits alleen of tezamen eigenaars zijnde
van meer dan de helft van het schip.
2. In de
gevallen genoemd in het eerste lid kunnen handelingen, die
geen uitstel kunnen lijden, zo nodig door ieder lid
zelfstandig worden verricht en is ieder lid bevoegd ten
behoeve van de rederij verjaring te stuiten.
Artikel 181
Voor de verbintenissen van de rederij zijn
haar leden aansprakelijk, ieder naar evenredigheid van zijn
aandeel in het schip.
Artikel 182
De rederij wordt niet ontbonden door de
dood van een harer leden noch door diens faillissement, het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, plaatsing ter zake van krankzinnigheid in een gesticht
of plaatsing onder curatele.
Artikel 183
Het lidmaatschap der rederij kan niet
worden opgezegd; evenmin kan een lid van het lidmaatschap der
rederij worden vervallen verklaard.
Artikel 184
Indien tot ontbinding der rederij is
besloten, moet het schip worden verkocht. Indien binnen twee
maanden na het besluit het schip nog niet is verkocht, kan de
rechter op een binnen twee maanden door een lid der rederij
gedaan verzoek, bevelen tot deze verkoop over te gaan. De wijze
van verkoop wordt door de rechter bepaald. Een besluit tot
verkoop of een ingevolge artikel 170, artikel 173 of artikel 174
gegeven bevel tot verkoop van het schip staat gelijk met een
besluit tot ontbinding der rederij.
Artikel 185
1. Na
ontbinding blijft de rederij bestaan voor zover dit tot haar
vereffening nodig is.
2. De
boekhouder, zo die er is, is met de vereffening belast.
Artikel 186
Nietig is ieder beding, waarbij wordt
afgeweken van de artikelen 161-163, 169, 170 eerste en tweede
lid, 178 derde lid, 180, 182 en 183.
Afdeling 2. Rechten op zeeschepen
Artikel 190
1. In de
afdelingen 2 tot en met 5 van titel 3 worden onder schepen
mede verstaan schepen in aanbouw. Onder reder wordt mede
verstaan de eigenaar van een zeeschip in aanbouw.
2.
Indien een schip in aanbouw een schip in de zin van artikel
1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw schip.
Artikel 191
In deze afdeling wordt onder de openbare
registers verstaan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 192
De in deze afdeling aan de reder opgelegde
verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een
commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op
iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 193 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 194
1.
Teboekstelling is slechts
mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
zeeschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd zeeschip:
indien het een Nederlands schip is in de zin van artikel
311 van het Wetboek van Koophandel
- dan wel ingeval het een
zeevissersschip is: indien het is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register.
2.
Teboekstelling is niet mogelijk van een zeeschip dat reeds
teboekstaat in de openbare registers, hetzij als zeeschip
hetzij als binnenschip, of in enig soortgelijk buitenlands
register.
3. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een
zeeschip dat in een buitenlands register teboekstaat
mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat register is doorgehaald, een Nederlands schip in de
zin van artikel 311 van het Wetboek van Koophandel zal zijn
of wanneer dit schip als zeevissersschip is ingeschreven in
een krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register. Deze teboekstelling heeft evenwel slechts
rechtsgevolg, wanneer zij binnen 30 dagen is gevolgd door
aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling
in het buitenlandse register is doorgehaald, of wanneer,
ingeval de bewaarder van een buitenlands register ondanks
daartoe schriftelijk tot hem gericht verzoek doorhaling
weigert, van dit verzoek en van het feit dat er geen gevolg
aan is gegeven, aantekening in de openbare registers is
geschied.
4. De
teboekstelling wordt verzocht door de reder van het
zeeschip. Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen een
door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste weten
het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is.
Indien het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip in
aanbouw betreft, gaat deze verklaring vergezeld van een
bewijs dat het schip in Nederland in aanbouw is. Indien het
een verzoek tot teboekstelling als zeeschip, niet zijnde een
zeeschip in aanbouw of een zeevissersschip, betreft, gaat
deze verklaring vergezeld van een door of namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven verklaring als
bedoeld in artikel 311a, eerste lid, van het Wetboek
van Koophandel. Indien het een verzoek tot teboekstelling
als zeevissersschip betreft, gaat deze verklaring vergezeld
van een bewijs dat het schip is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 van de Visserijwet 1963 aangehouden
register.
5. De
teboekstelling in de openbare registers heeft geen
rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de voorgaande
leden van dit artikel niet is voldaan.
6. Bij
het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in
Nederland. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot
teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 195
1. De
teboekstelling wordt slechts doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in
de openbare registers als reder vermeld staat;
b. op aangifte van de reder of
ambtshalve
1°. als het schip is vergaan,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is
geworden;
2°. als van het schip
gedurende 6 maanden na het laatste uitvaren of de
dag, waartoe zich de laatst ontvangen berichten
uitstrekken, in het geheel geen tijding is
aangekomen, zonder dat dit aan een algemene storing
in de berichtgeving kan worden geweten;
3°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
4°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers te boek zou staan, een
binnenschip zou zijn in de zin van artikel 3 of
artikel 780;
5°. als het schip niet of niet
meer de hoedanigheid van Nederlands schip heeft dan
wel niet of niet meer is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register. Ambtshalve doorhaling wegens het verlies
van de hoedanigheid van Nederlands schip geschiedt
uitsluitend na ontvangst van een mededeling van de
intrekking van een verklaring als bedoeld in artikel
311a, eerste lid, van het Wetboek van
Koophandel. Wanneer het schip de hoedanigheid van
Nederlands schip heeft verloren door toewijzing na
een executie buiten Nederland, dan wel de
inschrijving van het schip in een krachtens artikel
3 der Visserijwet 1963 aangehouden register is
doorgehaald, vindt doorhaling slechts plaats,
wanneer hetzij de reder, degenen van wier recht uit
een inschrijving blijkt en de beslagleggers
gelegenheid hebben gehad hun rechten op de opbrengst
geldend te maken en hun daartoe ook feitelijk de
gelegenheid is gegeven, hetzij deze personen hun
toestemming tot de doorhaling verlenen of hun
vorderingen zijn voldaan.
2. In de
in het eerste lid onder b genoemde gevallen is de
reder tot het doen van aangifte verplicht binnen drie
maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft voorgedaan.
3.
Wanneer ten aanzien van het schip inschrijvingen of
voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan,
geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.
Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest
gerede partij verleende machtiging van de rechter.
Artikel 196
1.
Zolang de teboekstelling in de openbare registers niet is
doorgehaald heeft teboekstelling van een zeeschip in een
buitenlands register of vestiging in het buitenland van
rechten daarop, voor vestiging waarvan in Nederland
inschrijving in de openbare registers vereist zou zijn
geweest, geen rechtsgevolg.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt een teboekstelling of
vestiging van rechten als daar bedoeld erkend, wanneer deze
geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na
de teboekstelling van het schip in het buitenlandse
register.
Artikel 197
De enige zakelijke rechten, waarvan een in
de openbare registers teboekstaand zeeschip het voorwerp kan
zijn, zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in
artikel 211 en artikel 217 eerste lid onder b genoemde
voorrechten.
Artikel 198 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 199
1.
Een in de openbare registers
teboekstaand zeeschip is een registergoed.
2. Bij
toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die
op de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn
bestemd voor de levering van zodanig zeeschip, kan de in het
eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de
Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij
niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 200 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 201
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand zeeschip worden door een bezitter te goeder
trouw verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 202
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij
hypotheek wordt verleend op een teboekstaand zeeschip of op een
recht waaraan een zodanig schip is onderworpen, duidelijk het
aan de hypotheek onderworpen schip vermeld.
Artikel 203
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die
uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn
verbonden en die toebehoren aan de reder van het schip. Artikel
266 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 204
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 210, 211, 221,
222 eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
Artikel 205
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom,
vervallen gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het
begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel
263 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 206
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand zeeschip is artikel 177 van Boek 3 niet van
toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van
het schip in stand.
Artikel 207
1. De
eerste twee leden van artikel 264 van Boek 3 zijn in geval
van een hypotheek waaraan een teboekstaand zeeschip is
onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2. De
artikelen 234 en 261 van Boek 3 zijn op een zodanige
hypotheek niet van toepassing.
Artikel 208
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand zeeschip zijn de bepalingen van artikel 217 van
Boek 3 mede van toepassing op bevrachting voor zover die
bepalingen niet naar hun aard uitsluitend op pacht, huur van
bedrijfsruimte of huur van woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Voorrechten op zeeschepen
Artikel 210
1. In
geval van uitwinning van een zeeschip worden de kosten van
uitwinning, de kosten van bewaking tijdens deze uitwinning
of verkoop, alsmede de kosten van gerechtelijke rangregeling
en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers uit de
opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
2. In
geval van verkoop van een gestrand, onttakeld of gezonken
zeeschip, dat de overheid in het openbaar belang heeft doen
opruimen, worden de kosten der wrakopruiming uit de
opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
3. De in
de vorige leden bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 210a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen 60,
tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde
tot en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op
zeeschepen niet van toepassing.
Artikel 211
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn,
behoudens artikel 210, op een zeeschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt
tot behoud van het schip, daaronder begrepen de kosten
van herstellingen, die onontbeerlijk waren voor het
behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden
der bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met
betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts
bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van
twaalf maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het
schip in avarij-grosse;
d. de vorderingen ter zake van
havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip
die noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid
van de haven of van derden, met dien verstande dat dit
voorrecht vervalt doordat het schip een nieuwe reis
aanvangt.
Artikel 212
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 211 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
ten einde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 213
1. De
bevoorrechte vorderingen, genoemd in artikel 211, nemen rang
in de volgorde, waarin zij daar zijn gerangschikt.
2.
Bevoorrechte vorderingen onder dezelfde letter vermeld,
staan in rang gelijk, doch de vorderingen genoemd in artikel
211 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 214
De voorrechten, genoemd in artikel 211,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van
hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en
die toebehoren aan de reder van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet
herstelde beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een
beloning voor vlotbrengen of van een vergoeding in
avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn
overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van
verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het
risico van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is
niet van toepassing.
Artikel 215
1. De
schuldeiser, die een voorrecht heeft op grond van artikel
211, vervolgt zijn recht op het schip, in wiens handen dit
zich ook bevinde.
2.
Voorrechten als bedoeld in artikel 211 kunnen worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 216
De vorderingen genoemd in artikel 211,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de
terbeschikkingstelling van het schip aan een bevrachter, dan wel
tijdens de exploitatie van het schip door een ander dan de
reder, tenzij aan deze de feitelijke macht over het schip door
een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de
schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 217
1. Boven
alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere
wet een voorrecht is toegekend, doch na de bevoorrechte
vorderingen genoemd in artikel 211, na de hypothecaire
vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen 222
en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een
zeeschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel niet
is te verstaan een zeeschip in aanbouw, bij voorrang
verhaalbaar:
a. de vorderingen, die
voortvloeien uit rechtshandelingen, die de reder of een
rompbevrachter binden en die rechtstreeks strekken tot
het in bedrijf brengen of houden van het schip, alsmede
de vorderingen die tegen een uit hoofde van artikel 461
gelezen met artikel 462 of artikel 943 gelezen met
artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon kunnen
worden geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier
het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 op de reder rusten;
c. de vorderingen, genoemd in
artikel 752 voor zover zij op de reder rusten.
2. De in
het eerste lid genoemde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
3. De
artikelen 212, 214 onder a en 216 zijn op de in het
eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op de
vorderingen die in het eerste lid onder b worden
genoemd, is ook artikel 215 van toepassing.
4.
Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 218
Na de vorderingen genoemd in artikel 217
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek
3, voor zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel
van deze titel, op een zeeschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 219
1. De
krachtens deze afdeling verleende voorrechten gaan teniet
door verloop van een jaar, tenzij de schuldeiser zijn
vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze termijn
begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering
voor hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van
de dag volgend op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2. Het
voorrecht gaat teniet met de vordering.
3. In
geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede
teniet op het tijdstip waarop het proces-verbaal van
verdeling wordt gesloten.
Afdeling 4. Voorrechten op zaken aan boord
van zeeschepen
Artikel 220
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 221
1. In
geval van uitwinning van zaken aan boord van een zeeschip
worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst
onder de schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop
voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
2. De in
het eerste lid bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 222
1. Op
zaken aan boord van een zeeschip zijn de vorderingen ter
zake van hulpverlening en van een bijdrage van die zaken in
avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe
rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211,
221, 820, 821 en 831, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2. Op
ten vervoer ontvangen zaken zijn bevoorrecht de vorderingen
uit een met betrekking tot die zaken gesloten
vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder
door artikel 489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt
toegekend. Deze vorderingen nemen daartoe rang na die welke
zijn genoemd in het eerste lid en in de artikelen 204 en
794, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 223
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 222 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 224
1. De
vorderingen ter zake van hulpverlening of bijdrage in
avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op grond van artikel
211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel 832
eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde
van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2. De
bevoorrechte vorderingen in het tweede lid van artikel 222
vermeld staan in rang gelijk.
3. De in
artikel 284 van Boek 3 genoemde vordering neemt rang na de
in de vorige leden genoemde vorderingen, ongeacht wanneer
die vorderingen zijn ontstaan.
4. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 225
De voorrechten, genoemd in artikel 222,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor
verlies of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een beloning voor
vlotbrengen of van een vergoeding in avarij-grosse, dat
tegenover een zodanig verlies of beschadiging staat. Dit geldt
eveneens wanneer deze schadevergoedingen of vorderingen tot
beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen, welke zijn
verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel
283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 226
De in artikel 222 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn
alsdan daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar
op het tijdstip, dat het voorrecht is ontstaan, niet de
schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 227
1. Met
de aflevering van de zaken aan de daartoe gerechtigde gaan,
behalve in het geval van artikel 559, de in artikel 222
genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet
tijdig verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs
alsmede door gerechtelijke rangregeling.
2. Zij
blijven in stand, zolang de zaken op grond van de artikelen
490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op grond van
artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 228
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden
kan het hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende
recht slechts gedurende 48 uur na het einde van de levering
uitoefenen, doch zulks ook indien deze zaken zich bevinden in
handen van de reder, een rompbevrachter of een tijdbevrachter
van het schip.
Afdeling 5. Slotbepalingen
Artikel 230
1. De
afdelingen 2 tot en met 4 van titel 3 zijn niet van
toepassing op zeeschepen, welke toebehoren aan het Rijk of
enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de
uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2. De
beschikking waarbij de in het eerste lid bedoelde bestemming
is vastgesteld, kan worden ingeschreven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing;
3. De
inschrijving machtigt de bewaarder tot doorhaling van de
teboekstelling van het schip in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 231
Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met
5 van titel 3 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de
bevoegdheid tot regeling krachtens de Kadasterwet.
Titel 4. Bemanning van een zeeschip
Afdeling 2. Kapitein
Artikel 260
1. De
kapitein is bevoegd die rechtshandelingen te verrichten,
welke rechtstreeks strekken om het schip in bedrijf te
brengen of te houden. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2. De
kapitein is bevoegd cognossementen af te geven voor zaken,
die ten vervoer zijn ontvangen en aangenomen en
passagebiljetten af te geven voor met het schip te vervoeren
reizigers. Tevens is hij bevoegd namens de reder en de
rechthebbenden op de zaken aan boord van het schip een
overeenkomst omtrent hulpverlening te sluiten alsmede om het
hulploon of de bijzondere vergoeding te innen.
Artikel 261
1. De
kapitein is verplicht voor de belangen van de bevrachters en
van de rechthebbenden op de aan boord zijnde zaken, zo
mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de maatregelen,
die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.
Indien het noodzakelijk is onverwijld ter behartiging van
deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is de
kapitein daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het
in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3. Voor
zover mogelijk geeft hij van bijzondere voorvallen terstond
kennis aan de belanghebbenden bij de betrokken goederen en
handelt hij in overleg met hen en volgens hun orders.
Artikel 262
1.
Beperkingen van de wettelijke bevoegdheid van de kapitein
gelden tegen derden slechts wanneer die hun bekend zijn
gemaakt.
2. De
kapitein verbindt zichzelf slechts dan, wanneer hij de
grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 5. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 360
1. De
reder is naast een rompbevrachter met deze hoofdelijk
aansprakelijk uit een deze laatste bindende rechtshandeling,
die rechtstreeks strekt tot het in bedrijf brengen of houden
van het schip. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing indien aan degeen, met wie
de daar genoemde rechtshandeling wordt verricht, kenbaar is
gemaakt, dat de rompbevrachter de reder niet vermag te
binden dan wel deze derde wist, of zonder eigen onderzoek
moest weten, dat het in het eerste lid bedoelde doel werd
overschreden.
3. Het
eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
vervoerovereenkomsten, overeenkomsten tot het verrichten van
arbeid met de bemanning aangegaan en overeenkomsten als
genoemd in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel
10.
4. Het
eerste lid is niet van toepassing, wanneer aan de reder de
feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde
handeling was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te
goeder trouw was.
5. Hij,
die loodsgelden, kanaal- of havengelden dan wel andere
scheepvaartrechten voldoet ten behoeve van de reder, een
rompbevrachter, een tijdbevrachter of de kapitein dan wel
enige andere schuldenaar daarvan, wordt van rechtswege
gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van deze
vorderingen.
Artikel 361
1. Onder
"exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
bevrachtingen van het schip en de overeenkomsten tot vervoer
van zaken of personen met het schip.
2. Onder
"keten der exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
exploitatie-overeenkomsten gerangschikt:
a. wat betreft bevrachtingen: te
beginnen met een mogelijkerwijs aangegane
rompbevrachting en vervolgens in de volgorde, waarin de
bevrachters hun bevoegdheid over het schip te beschikken
van elkaar afleiden.
b. wat betreft
vervoerovereenkomsten, die geen bevrachting zijn: te
beginnen met de vervoerovereenkomst aangegaan door een
vervoerder, die de beschikking heeft over het schip of
een gedeelte daarvan, en te eindigen met de
vervoerovereenkomst aangegaan tussen een vervoerder met
het schip en zijn wederpartij, die niet wederom op haar
beurt vervoerder met het schip is.
3. Voor
de toepassing van de artikelen 361 tot en met 366 wordt een
reiziger aangemerkt als partij bij de te zijnen aanzien
gesloten vervoerovereenkomst.
4. In de
artikelen 361 tot en met 366 worden onder beschadiging mede
begrepen niet-aflevering, geheel of gedeeltelijk verlies,
waardevermindering en vertraagde aflevering en wordt onder
letsel mede begrepen vertraagde ontscheping.
Artikel 362
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst door haar wederpartij daarbij terzake
van een bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten
overeenkomst wordt aangesproken, dan is zij jegens die
wederpartij niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn op
grond van de door hen gesloten overeenkomst.
Artikel 363
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst terzake van een bij de exploitatie van
het schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken
door een andere partij bij een dusdanige overeenkomst, dan is
zij tegenover deze niet verder aansprakelijk dan zij dit zou
zijn als ware zij wederpartij bij de exploitatie-overeenkomst,
die is aangegaan door degeen die haar aanspreekt en die in de
keten der exploitatie-overeenkomsten tussen haar en deze laatste
ligt.
Artikel 364
1. Wordt
een reder of een bevrachter van een schip, dan wel een
vervoerder met een schip terzake van dood of letsel van een
persoon of terzake van beschadiging van een zaak, buiten
overeenkomst aangesproken door iemand die geen partij is bij
een exploitatie-overeenkomst, dan is hij tegenover deze niet
verder aansprakelijk dan hij uit overeenkomst zou zijn.
2. Was
met betrekking tot de persoon of zaak een
vervoerovereenkomst afgesloten en is de schade ontstaan in
het tijdvak waarin een vervoerder met het schip als zodanig
daarvoor aansprakelijk is, dan geldt als overeenkomst,
bedoeld in lid 1, de laatste in de keten der
exploitatie-overeenkomsten met betrekking tot die persoon of
zaak aangegaan.
3. Was
de persoon of zaak aan boord van het schip op grond van een
overeenkomst met een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, doch is het vorige lid niet van
toepassing, dan geldt de eerst bedoelde overeenkomst als
overeenkomst bedoeld in lid 1.
4. Was
de persoon of zaak buiten overeenkomst aan boord, dan geldt
een vervoerovereenkomst als overeenkomst bedoeld in lid 1.
5. De
aansprakelijkheid bedoeld in lid 1, is voor de toepassing
van de leden 2 en 4 die van een vervoerder, en voor de
toepassing van lid 3 die van de aldaar genoemde partij.
Artikel 365
Wordt een vordering als genoemd in de
artikelen 362 tot en met 364 buiten overeenkomst ingesteld tegen
een ondergeschikte van een partij bij een
exploitatieovereenkomst en kan die partij ter afwering van haar
aansprakelijkheid voor de gedraging van de ondergeschikte een
verweermiddel jegens de eiser ontlenen aan de overeenkomst
waardoor haar aansprakelijkheid in gevolge die artikelen wordt
beheerst, dan kan ook de ondergeschikte dit verweermiddel
inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 366
Het totaal van de bedragen verhaalbaar op
een derde, die partij is bij een exploitatie-overeenkomst, en
zijn ondergeschikten, al dan niet gezamenlijk met het bedrag
verhaalbaar op de wederpartij van degeen, die de in de artikelen
363 of 364 genoemde vordering instelde en haar ondergeschikten,
mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen handeling
of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet
overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen
overeenkomst is verschuldigd.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over zee
Artikel 370
1. De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender)
verbindt aan boord van een schip zaken uitsluitend over zee
te vervoeren.
2.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als
vervoer over zee beschouwd, tenzij het varen van dit schip
over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over
binnenwateren, in welk geval dit varen als varen over
binnenwateren wordt beschouwd.
3.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze beide
wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over zee voor
zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit
artikel, het varen van het beweegkracht overbrengende schip
als varen over zee wordt beschouwd. Voor zover dit niet het
geval is, wordt het als vervoer over binnenwateren
beschouwd.
4. Deze
afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoer van postzendingen door of in opdracht van de houder
van de concessie bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van
artikel 510 is deze afdeling niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoeren van bagage.
Artikel 371
1. Onder
gewijzigd Verdrag wordt in dit artikel verstaan het Verdrag
van 25 augustus 1924 ter vaststelling van enige eenvormige
regelen betreffende het cognossement (Trb. 1953, 109)
met inbegrip van de bepaling voorkomend in onderdeel 1 van
het daarbij behorende Protocol van ondertekening, zoals dat
Verdrag is gewijzigd bij het te Brussel op 23 februari 1968
ondertekende Protocol (Trb. 1979, 26) en als verder
gewijzigd bij het te Brussel op 21 december 1979
ondertekende Protocol (Trb. 1985, 122).
2. Voor
de toepassing van dit artikel wordt onder verdragsstaat
verstaan een staat, welke partij is bij het gewijzigd
Verdrag.
3. De
artikelen 1 tot en met 9 van het gewijzigd Verdrag worden
toegepast op elk cognossement, dat betrekking heeft op
vervoer van zaken tussen havens in twee verschillende
staten, indien:
a. het cognossement is uitgegeven
in een verdragsstaat, of
b. het vervoer plaats vindt vanuit
een haven in een verdragsstaat, of
c. de overeenkomst, die in het
cognossement is vervat of daaruit blijkt, bepaalt, dat
op die overeenkomst toepasselijk zijn de bepalingen van
het gewijzigd Verdrag of van enigerlei wetgevi |