27-12-1999
  HISTORISCHE SPROKKELINGEN  (Stichting De Lansingh)
  Studie verzameling geschiedenis 3B-Hoek en omgeving (C) Henk Berghout. 
       
  Landbouwgeschiedenis Nederland (4500 voor Chr. - heden)
  De landbouwgeschiedenis van ons land begint omstreeks 4500 voor Chr.  met
  de vestiging in het zuiden van de tegenwoordige provincie Limburg van een
  boerenbevolking, die afkomstig was uit de Donaulanden.  Deze  boeren ver-
  bouwden verschillende graansoorten en hielden ook vee. Aangezien  zij  na
  enkele  honderden  jaren ons land weer verlieten en hun aantal en het ge-
  bied waarin zij woonden klein waren, hebben zij waarschijnlijk  geen con-
  tact gehad met andere bewoners van ons  tegenwoordige  grondgebied.  Deze
  inheemse bevolking leefde nog eeuwen daarna als voedselverzamelaar en pas
  sinds de komst van de hunebedbouwers, die ca. 3500 voor Chr. uit het oos-
  ten ons land binnentrokken, werd ons land onafgebroken  door  landbouwers
  bewoond. (B104) (L).
  Kort na 4000 voor Chr. Bandkeramische cultuur op de  löss  in  Nederlands
  Limburg en België. De dragers daarvan kenden landbouw en veeteelt. (B136)
  3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  5000 jaar geleden (3000 voor Chr) woonden er boeren op de Hazendonk. Deze
  top van een rivierduin in de huidige Alblasserwaard. Omstreeks 2000  voor
  Chr.  werden zij door de hoge waterstand gedwongen de plek op  te  geven.
  (B158).
  Vanaf 2900  v  Chr.  tot  2250 v Chr. bestond het gebied tussen Den Haag,
  Gouda  en Rotterdam uit wad, kwelderland en rietgorzen met ten dele brede
  kreken. Via de Rijn-Maasmond had het getij vat  op  deze  "biesbos".  Ons
  land was in deze tijd bewoond door vissers en  jagers.  Omstreeks  2400 v
  Chr.  dringen  andere volken het land binnen, die hier het wiel en de ko-
  persmederij  introduceren,  ook bij Vlaardingen en Hekelingen zijn sporen
  van bewoning gevonden. (B150).
  Ca.  2500  voor Chr. raakten Voorschoten, Leidschendam en Vlaardingen be-
  woond, hun cultuur wordt de Vlaardinger cultuur  genoemd.  Ongeveer  vijf
  eeuwen heeft de Vlaardinger cultuur bestaan en rond  ca.  2000  voor Chr.
  verdreven door de zee. (B107).
  De Vlaardinger cultuur is van ca. 2500 v Chr. (B24).
  Voor 2000 voor Chr. Hunebedbouwers in Oost-Nederland, zij kenden landbouw
  en veeteelt. (B136).
  Ca. 2000 v. Chr. Meer zuidelijk was de Rotte een tak  van de IJssel,  die
  langs Nieuwerkerk en  Terbregge  moet hebben gelopen. Dit is te zien op
  luchtfoto's waarop de klei-afzettingen goed uitkomen. Ook de hoogtekaart,
  het huidige verloop van sloten en de opvallende versmalling van de  Rotte
  bij Terbregge zijn hier aanwijzingen voor. Pas in 1164 zou deze IJsselarm
  bij een invasie van zee uit zijn verdwenen. (B150).
  2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 1300 voor Chr. Halssnoer van Exloo vervaardigd. (B136).
  Na 1000 voor Chr. Infiltratie van Kelten en Germanen. (B136).
  Ca. 800 voor Chr. Begin van de urnenvelden. (B136).
  750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 300 voor Chr. Begin van de terpenbouw in Friesland. (B136).
  Resten  van aardewerk uit de 2e eeuw voor Chr. werden op de begraafplaats
  van de N.H. kerk te Hillegersberg gevonden in 1957. (B102) (K).
  De  berg  te  Hillegersberg heeft geen Romeinse bewoning gehad echter wel
  een pré Romeinse (dit o.b.v.  de  gevonden scherven op de begraafplaats).
  (B102). (K).
  De donk (berg) te Hillegersberg is een pleistocene opduiking voornamelijk
  uit het Boven-Turbantien daterende afzetting van het laagterras. (B101).
  Hillegersberg, Hildegondsberg, Hellegaertsberg of Hidegaertsberg, waarvan
  zeker is dat de heuvel niet door mensenhanden is opgeworpen. (B61).
  In 1892 liet Prof. Reuvens ten westen van de op den heuvel gebouwde  kerk
  boringen verrichten. Op een diepte van 3 1/2 meter trof hij een  hellende
  veenlaag van 3 dm dikte,  waarmede  hij  de natuurlijke samenstelling van
  den heuvel aantoonde. (Hillegersberg) (B160).
  De oudste sporen van mensen in het stroomgbied van de Rotte dateren  van-
  uit de ijzertijd en zijn gevonden in de omgeving van Terbregge.  Ruim 200
  meter oostelijk van de huidige Rotte werd in 1920 bij het  graven van een
  sloot een oude boot opgegraven. Het was een  zogenaamde  stakboot, die in
  een later verlande kreek lag: de bodem  van  de  bedding bestond uit klei
  met wortelstokken van  riet.  Daar  bovenop werden in het veen resten van
  moerasbos  gevonden.  Achter  in de  boot,  die met stenen werktuigen uit
  eikehout is gehakt, is een brandplek te zien.  Hij  heeft  een  massieve,
  overhangende en van boven platte boeg, waarin een gat  zit met een  door-
  snede van ongeveer 5 cm. Daar kan een stok  doorgestoken  worden, waarmee
  de boot kan worden vastgelegd. De stakboot  heeft tenslotte een eigenaar-
  dige vaste versterking bij het achtereind  (wrang) en de uitholling loopt
  naar  achter  staffelsgewijs  op.  Op grond van aardewekvondsten die  ter
  plaatse werden gedaan, heeft men deze boot  oorspronkelijk  gedateerd  op
  de 6e of 7e eeuw. In de  veertiger  werden  iets noordelijker potscherven
  gevonden bij het  maken  van  een graskuil. De randen hiervan zijn gekar-
  teld, doordat  de  makers er met de vingers in drukten. Men veronderstelt
  dat ze uit de  1e  eeuw  dateren.  Ze vertonen zoveel overeenkomst met de
  eerder genoemde vondsten, dat men thans meent dat ook deze en de stakboot
  uit de 1e eeuw afkomstig zijn. (B150).
  Tijdens de transgressiefasen voor de jaartelling overstroomde het stroom-
  gebied van de Gantel, er ontstond een wijdvertakt stelsel van getijdekre-
  ken in het veengebied. Na verloop van tijd raakte de monding van de  Gan-
  tel in de Maas (tussen Monster en 's Gravenzande) in de zee uitmonde ver-
  stopt en verlanden de kreken. Het gebied dat zich uitstrekte van  Monster
  langs Poeldijk en Wateringen naar Delft en Pijnacker werd daardoor bedekt
  met vruchtbare klei en zand, het z.g. Ganteldek.  De nu ontstane zand- en
  kleiruggen waren geschikt voor het bouwen van huizen en werden voor bewo-
  ning opgezocht. Aanvankelijk werd alleen de grond in de direkte  omgeving
  van de oeverwallen vruchtbaar gemaakt. Vanaf de 8e eeuw werd  de  ontgin-
  ning van de wildernis zelf ter hand genomen. (B137).
 
  Romeinse tijd - 12 v Chr. - 450 na Chr.
  58-50  voor  Chr. Julius Caesar verovert Gallië. Hij bedwingt ook de Bel-
  gische stammen in het zuiden, o.a. de Menapiërs en de Eburonen. (B136).
  Tussen 51 en 12 voor Chr. Vestiging van de Bataven in de Betuwe en van de
  Canninefaten in de duinstreek van Holland. (B136).
  Ongeveer 50 jaar voor Chr. kwamen  de  Romeinen  door  gebiedsuitbreiding
  naar het noorden in contact met de bewoners van wat nu Nederland  is.  De
  stammen die daar woonden hadden met elkaar gemeen dat het Germanen waren.
  (B104) (R).
  12-9 voor Chr. Veldtochten van Drusus in de Nederlanden. (B136).
  12-9 voor Chr. Veldtocht in Germanië van Drusus, onderwerping van de  Ba-
  taven, de Friezen en de Chauci. (B143).
  Kort voor het begin van onze jaartelling werden in het Maasmondgebied bij
  Vlaardingen al simpele houten duikers gebruikt;  afwateringsgoten met een
  eenvoudig schuifmechanisme dat met de hand  kon  worden bediend. Dit sys-
  teem moet door de plaatselijke bevolking zijn ontwikkeld. (B158). De hou-
  ten duikers zijn in 199? gevonden bij Vlaardingen.  (Infomap  Archeologie
  Pro Biblio, 1998).
  Het jaar 0: 1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  9 na Chr. De provincie Germanië wordt opgeheven, maar de Rijngrens blijft
  gehandhaafd. (B143).
  28-47 na Chr. Opstand van de tribuutplichtige Friezen tegen Olennius, on-
  derdrukt door Corbulo. (B136).
  Turf  als  brandstof  is  al  zeer  oud. Reeds in 47 na Chr. gebruikte de
  Kauchen, de bewoners van de kuststreek  van  het in later tijd verdronken
  land  van  de  Zuiderzee,  "de door de zon maar meer nog door de wind ge-
  droogde aarde als brandstof". H.  Crompvoets schrijft echter in zijn boek
  over veenderijterminilogie: "Al in 77 na Chr. maakt Plinius Maior in zijn
  "Historia Naturalis" melding van het feit dat de Chauken,  een  Germaanse
  stam  aan de Noordzee tussen Eems en Elbe, het slijk mat de handen kneed-
  den om het vervolgens te laten drogen in de wind en de zon, waarna ze het
  gedroogde slijk gebruikten om hun ledematen te verwarmen." (V).
  De Corbulogracht, lengte  23  mijl, van Maas naar Rijn - ruwweg vanaf het
  castellum Matolone (Roomburg bij Leiden) via Naaldwijk naar het  zuidwes-
  ten. (Na ca. 47 na Chr. gebouwd). (B117) (R).
  Voor het Romeinse  publiek  schreef de Romeinse senator Cornelius Tacitus
  een  overzicht over het  gebied  en  de gewoonten van de Germanen. In het
  jaar 98 was het boek klaar dat onder de naam "Germania" bekend  zou  wor-
  den. Tacitus begint met de mededeling dat het landschap  voornamelijk be-
  staat uit 'ofwel  borstelige  wouden ofwel stinkende moerassen'. Hij ver-
  meld dat onze voorouders roodachtig haar hadden. Maar deze rode kleur was
  niet natuurlijk; men gebruikte Bataafs schuim, een soort haarverf. (B104)
  (R) (V).
  98-117 Regering van Keizer Trajanus, die Nijmegen waarschijnlijk  tot  de
  rang van municipium heeft verheven. (B136).
  Na 250 De Rijngrens  in de Nederlanden wordt opgegeven in verband met wa-
  teroverlast. (B136).
  250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 300. Herstel van de Rijngrens. (B136).
  Eind 3e eeuw bestond het gebied dat later Delfland werd  uit  een  slecht
  toegankelijke waterrijke wildernis, alleen de strandwallen waren voor be-
  woning geschikt. (B137).
  Ca. 400. Grote invasie van Germanen in Gallië. (B236).
  Hoofdstuk VII, blz. 80: "De Historie" (1950). De Bataven zijn te beschou-
  wen  als  een  grensvolksstam  uit de groep der Chatten; zij werden waar-
  schijnlijk door de Romeinen verplaatst naar de Betuwe; waarom?  Of indien
  zij uit vrije verkiezing uit het Hessenland wegtrokken, waarom gingen  ze
  juist  naar  de  Betuwe? Drusus had in de Rijnstreek voedsel nodig en dit
  kon hij alleen bereiken door graanbouw en door  voorziening  van  vee  en
  veeproducten. Hij moest de Betuwe daarom voor de landbouw vrij maken  van
  waterovervloed, wat gelukt moet zijn. (B122) (R) (L).
  Dat de Brittenburg een Romeins fort geweest zou zijn, heeft Holwerda  be-
  streden en ons inziens terecht. (B122) (R).
  Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond
  waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en  zuiderlijk  Zuid-
  Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de  IV de eeuw na
  Chr. ontvolkt raakte. De oorzaak daarvan blijkt te liggen  in  een trans-
  gressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met  een
  kleipakket afdekt. (B65) (R).
  
  300-400
  
  Oorzaken van de volksverhuizingen. Waarom hebben de  Germanen  zich  ver-
  plaatst? Woelingen in China die zich in de  4e  eeuw voordeden hadden tot
  gevolg  dat  Mongoolse  nomaden,  de  Hiang-Nou of Hunnen naar het westen
  moesten wijken. Omtrent 370 verschenen ze ten oosten van de Zwarte Zee en
  dreven op hun beurt de Goten vooruit. (De Goten dreven de Germanen  voor-
  uit) en de Germanen begonnen  het  Romeinse  rijk  binnen  te vallen. Het
  meest tastbare van de volksverhuizingen is het ontstaan geweest van  Ger-
  maanse koninkrijken op grondgebied van het Romeinse rijk. (B111) (R).
  In de transgressieperiode (stijging zeewaterniveau) die van ca.  300  tot
  800 na Chr. duurde en waarin de zee eveneens oude  geulen  benutte om het
  land binnen te dringen en de oevers te overstromen. In dit tijdvak werden
  in grote gebieden sedimenten van klei afgezet. (B31).
  Er  is  zelfs  een goede reden om aan te nemen, dat het gehele veengebied
  onbewoonbaar is geworden  na  ca.  300 na Chr. Wij vinden namelijk in het
  onderzochte terrein een deklaag van uitgesproken veenklei, van een gebied
  vanaf de Oude Rijn naar het noorden uitwiggend tegen bosvenen. (B122) (V)
  Omstreeks het jaar 350 verlegde Sint  Servatius,  bisschop  van  Tongeren
  (België) zijn zetel naar Maastricht, waarmee het zuiden  zijn eerste bis-
  schop kreeg. (B105) (K).
  Een legende zegt dat Sint Servatius bisschop van  Tongeren  uit  Tongeren
  weggejaagd  werd en  omstreeks  het  jaar 370 naar Maastricht vluchtte en
  daar zijn zetel vestigde. (B105) (K).
  
  400-500
  De Merovingse koningen (Merovech overl. in 456 t/m Chlodovech  II t/m 657
  kenden voornamelijk twee belastingen: hoofdgeld (voor hen die geen grond-
  belasting betaalden) en grondbelasting (de gebruiker van de grond betaal-
  de). (B121)
  481. Childerik, koning der Salische Franken sterft te Doornik. (B136).
  Middeleeuwen ca. 450 na Chr. - 1500 na Chr.
  De bewoning in het  westen  van  ons  land  was in de vroege middeleeuwen
  vrijwel geheel bepaald door de bodemgesteldheid. Bewoning treffen we  aan
  op de zand- en geestgronden, de rivierklei en op enkele  eilandjes in het
  veen liggende oude klei. Deze laatste  bewoning,  op  kleieilandjes, kwam
  voor in het gebied ten zuiden van  Zoetermeer in Pijnacker en Berkel. (de
  Kleihoogt). (B127) (V).
  Een  merkwaardige  middeleeuwse  ziekte  was  de  Sint-Vitus-dans (chorea
  maier),  lijders aan deze ziekte werden gegrepen door danswoede. Zij tol-
  den rond in adamskostuum, opgetuigd met bloemen tot ze erbij  neervielen.
  (B104).
  In de middeleeuwen was het vrouwenoverschot blijvend groot. (B93).
  In de middeleeuwen dienden meisjes zich op hun 8e jaar te verloven  zodat
  ze op 13 jarige leeftijd konden worden uitgehuwlijkt. (B93).
  In de middeleeuwen waren er ontelbare buitenechtelijke kinderen. (B93).
  De heraldiek was een schepping van de ridderlijke middeleeuwen.  De  rid-
  derlijke wereld was ontstaan doordat in de  middeleeuwen,  onder  invloed
  van het leenstelsel een geheel nieuwe stand geboren was. Door  het  geven
  van lenen aan zogenaamde ministrialen kwamen deze vrijwel op één lijn  te
  staan met de oude, vrije adel.
  Ridders waren zwaargewapende en geharnaste ruiters, die de kracht van het
  middeleeuwse leger  vormden.  Dienaren  van  lager geboorte, die zich als
  krijgslieden onderscheidden,  konden ook in die groep worden opgenomen en
  kregen daardoor  voet  in  de adelstand. De Amstels, Egmonds, Wassenaars,
  enz. zijn als  verdienstelijke "ministerialen" (d.i. dienaren) omhoog ge-
  komen. (B144).
  20 nakomelingen in één verbintenis (gedurende de middeleeuwen) waren geen
  zeldzaamheid, hoewel de meeste baby's vrij spoedig na hun geboorte stier-
  ven. (B93).
  In de middeleeuwen vond men veel concubines bij zowel hoog als  laag;  de
  kinderen verwekt bij de concubine - de z.g. bastaarden - werden binnen de
  familie als normale kinderen aanvaard. (B93).
  In de middeleeuwen bestond voor een groot deel van  het  gewone  volk  de
  huwlijksdwang, lijfeigenen werden verplicht te trouwen voor  een bepaalde
  leeftijd, zodat  ze  ruime aantallen nieuwe lijfeigenen konden voortbren-
  gen. (B93).
  Middeleeuwse  reizigers  legden  ca. 5 km per uur af zowel te voet als op
  een door een paard voortgetrokken wagen, per  dag dus hoogstens 30 tot 50
  km. (B93).
  De Tempel, verwijst naar het latijnse templa; een balk (schoor) die dient
  om  een  sluisdeur  open  te houden, zodat het water door kan stromen. De
  naam werd in de middeleeuwen ook gegeven aan een plaats waar water in- en
  uitgelaten werd. (B99).
  In de middeleeuwen was de muntslag één van de rechten van de vorst.  Voor
  de Nederlanden waren dat in de late middeleeuwen de  Duitse  Keizer en de
  Koning van Frankrijk. (B142).
  
  600-700
  In de 7de eeuw werd het Maasmondgebied opnieuw vrij dicht bewoond. De ar-
  cheologen beschouwen het als een kerngewest. Met deze naam worden streken
  aangeduid  met een zekere oudheidkundig aantoonbare bewonersconcentratie.
  (B158).
  De verhoging of terp waarop de kerk (in Berkel) staat, moet rond 600 zijn
  opgeworpen als vluchtgebied voor de toenmalige bewoners in verband met de
  hoge waterstanden. (B07). (lokatie is de plaats waar nu (1998)  de  N.H.-
  kerk staat). (K).
  600-700.  Frankische  missionarissen  in  de zuidelijke Nederlanden, o.a.
  Eligius  en Amandus. (B136) (K).
  629-639. Dagobert weer koning van het gehele Frankische rijk. Hij  sticht
  een kerkje te Utrecht, dat onderhorig wordt aan  het  aardsbisdom Keulen.
  (B136) (K).
  Kerkgeschiedenis (630 - ca. 1000)
  Onder  koning  Dagobert  I  hebben  de eerste botsingen tussen Franken en
  Friezen plaats. Koning Dagobert verslaat de Friezen in 630 en laat in dat
  jaar  het  eerste  Christenkerkje in onze noordelijke Nederlanden bouwen.
  Het is de Sint Thomaskapel. Vijftig  jaar  later  (ca 680) ontstaat er in
  het Frankische rijk een  geweldige  strijd om de opvolging. Daarvan maakt
  de Friese hertog Radboud  gebruik;  hij  verovert het aan koning Dagobert
  verloren gebied, dringt ook Utrecht  binnen  en  vernielt  daar de eerste
  Christenkapel. In 690 landt  Willebrord  met zijn gezellen aan onze kust,
  zij varen de Rijn op en bij Utrecht aangekomen wacht hen een  bittere te-
  leurstelling!  Radboud regeert, alle sporen van Cristendom zijn verdwenen
  en geen vrijheid  om te preken. Hij werkt hoofdzakelijk in het zuiden van
  ons land. In 695 wordt Willebrord door paus Sergius tot aardsbisschop der
  Friezen gewijd. Radboud was inmiddels verslagen zodat  Willebrordus  zich
  nu onbevreesd naar Utrecht kon begeven.  Er  wordt  een  kerk gebouwd, de
  Sint Salvatorkerk en naast de kerk een klooster. Later bouwde hij ook nog
  de  Sint  Martinuskapel, de hofkapel die later uitgroeide tot de machtige
  Domkerk. Eveneens bouwde hij bij Heilo het eerste christenkerkje in West-
  Friesland. Als omstreeks 719 Radboud sterft staat niets de prediking  van
  het evangelie meer in de weg. Willebrord stierf uiteindelijk  in  739  te
  Echternach.  Onder  de  priesters  die  enkele jaren na Willebrord vanuit
  Engeland naar ons land kwamen en onder de Friezen het evangelie predikten
  hoorde  ook  de  Heilige  Adalbert;  hij bouwde het kerkje waar nu Egmond
  ligt. Het kerkje werd tijdens Adalberts  afwezigheid  door  Radboud  ver-
  woest.  Na  de  nederlaag van Radboud wordt het kerkje weer opgebouwd. In
  740 stierf St.  Adalbert.  Een  derde  prediker  (uit Frankrijk)  was  de
  H. Wulfraam die predikte in Medemblik onder de Friezen,  hier  stond  ook
  het paleis van koning Radboud. Een vierde prediker onder de  Friezen  was
  de H. Bonefatius (uit Duitsland), hij werd ca. 755 vermoord op de  plaats
  waar nu Dokkum ligt. De  Noormannen verwoesten het door Adalbert gebouwde
  kerkje  in  Egmond  en  na  de herbouw verwoesten zij het kerkje opnieuw.
  Graaf  Dirk  I  liet  op  een  kwartier afstand van het kerkje een houten
  klooster bouwen in het dorp Hallem, het tegenwoordige Egmond-binnen. Dirk
  II bouwde de St. Adalbertabdij in steen als vervanging  voor  het  houten
  klooster. Deze abdij werd in de loop der eeuwen begunstigd/overladen  met
  geschenken. (B105) (K) (N).
  Kerkgeschiedenis
  Als kerken uit  de Sint-Willibrords tijd worden uit schriftelijke overle-
  veringen vermeld:  Marsum  (Vlaardingen?),  Vlaardingen, Oegstgeest en de
  kapellen: Hargen (Ketel) bij Schoorl, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Lei-
  muiden  en  kort  erop  worden  andere  genoemd waarvan sommige zeker tot
  Willibrordus zullen teruggaan: Ouderkerk, Lekkerkerk, Krimpen in de Krim-
  penerwaard,  Monster,  Valkenburg  bij  Leiden. De gebouwen waren van van
  hoogst eenvoudige constructie. Het  rechthoekige  gebouw,  soms  met  een
  versmald en rechtgesloten koor verlengd, was zeer klein. 5, 6, 7 of 8 me-
  ter breed en 10, 11, 12, 16 meter lang. Met de uitbouw  van het koor werd
  de lengte dan 5 tot 6 meter langer. De meeste van deze kerkjes waren  van
  hout,  staande op stenen fundamenten, vaak van veldkeien gevormd. Het was
  niet al te kostbaar om de kleine  houten  kerken  en  kapellen te bouwen,
  daartoe waren rijkere grondbezitters allicht toe in staat. Zij hebben dan
  ook gewoonlijk zulke kerken gebouwd: voor hun eigen gebruik, voornamelijk
  voor hun horigen en omwonende vrijen. (B125). (K).
  Hoornaar, N.H. kerk gebouwd in 642, door de Noormannen verwoest en in 694
  herbouwd.  (Vroege  missie  van  de  Noormannen?,  gewoonlijk invallen in
  Nederland tussen 800 en 1000). (B113). (K) (N).
  687. Slag bij Tetry. Pippijn II hofmeier van het gehele rijk. (B136).
  689. De Friese koning Radbod verslagen bij Dorestad. (B136).
  689. Dorestad muntrecht van Pippijn ontvangen. (B144).
  690-739. Prediking van Willebrord in de Nederlanden. (B136) (K).
  695 Willebrord aangesteld tot aartsbisschop der Friezen. (B136) (K).
  Naast de kerken te Vlaardingen en Velzen die  hem geschonken zijn, sticht
  Willebrord nog kerkjes in Oegstgeest, Velzen, Petten en Heilo. De kerk en
  een stuk moeras kreeg Willebrord van de geestelijke Heribald. (ca. 695?).
  (B117). (K).
  Tijdens  Willebrords  verblijf  in Rome stak er een noordwester storm op,
  waardoor alle  bomen 'van dat wilde wout sonder ghenaden'  in  het  Oost-
  frankische Rijk 'dat nu Hollant heet'  werden  geveld.  Deze  gebeurtenis
  staat ook bekend als 'de grote boomstorting'.  Of het in 700, 840, 860 of
  1170 gebeurde (de grote boomstorting) blijft de vraag. (B22). (K).
  
  700-800
  Oudste scholen
  Bij de oudste en voornaamste kerken moeten de oudste scholen gezocht wor-
  den. Globaal in 8e eeuw. Dit waren scholen  voor  geestelijken/aankomende
  geestelijken. Omstreeks 1200 waren er parochiescholen in Hallum en  Farm-
  sum. Op dorpen heten oude gebouwtjes waarin vroeger school werd  gehouden
  soms nog kosterij. (Koster en  schoolmeester  waren  synoniem  geworden).
  (B125). (K).
  St. Maartensrecht was mogelijk reeds in de 8e eeuw aan de Dom van Utrecht
  geschonken. (B39). (K).
  In de 8e  eeuw, in de Frankische tijd zijn er vermoedelijk al dijkjes ge-
  weest in het rivierengebied van Nederland. (B27).
  Vlaardingen  is  een  zeer  oude plaats, vermoedelijk stichtte Willibrord
  hier kort na 700 een kerk. (B01). (K).
  Ca. 700. Dood van Lambertus, bisschop van Maastricht te Luik. (B136) (K).
  Pippijn of Pepijn van Herstal, overleden 714. (B144).
  714-719. Verwarring na de dood van Pippijn II.  Veroveringen  van Radbod.
  (B136).
  714-741 Karel Martel, een buitenechelijke zoon van Pippijn  II,  verovert
  de positie van majordomus en na strijd met Neustrië en Aquitanië hersteld
  hij het rijk. (B143).
  Na de dood van zijn vader in 714  maakte  Karel  Martel (d.i. hamer) zich
  van het gezag meester. (B144).
  In de tijd van Karel Martel (in 717 bij de dood  van  zijn  vader 25 jaar
  oud) werden op grote schaal aanvallen gedaan op  de  bezittingen  (lande-
  rijen) van de kerk, deze werden door hem geconfisqueerd  en  gegeven  aan
  machtige vazallen. De kerk werd daarmee van haar  inkomsten beroofd zodat
  haar taken van armenzorg, ziekenverpleging en eredienst  gevaar  begonnen
  te lopen.  Pippijn de Korte (koning der Franken 754-768) zag in dat daar-
  mee indirect de staat werd ondermijnd.  Teruggeven van de bezittingen aan
  de kerk was ondenkbaar, het volgende  werd  bedacht:  de  geconfisqueerde
  kerkelijke bezittingen werden door de vazallen aan de koning teruggegeven
  en  onmiddelijk daarna weer door hem aan hen teruggeleend, waarbij de va-
  zal een  tiende van de opbrengst moest afstaan aan de oorspronkelijke ei-
  genaar. Hiermee waren  de  kerkelijke  tienden  geboren, maar had ook het
  leenstelsel zijn intrede gedaan. (B121) (K).
  Karel Martel 717, 741 (invoering leenstelsel).  De  koning  trad  op  als
  leenheer, de leenmannen moesten verplicht mede ten strijde trekken met de
  hoorigen.
  Om de Moren af te wijzen moet Karel Martel een maatregel  hebben  genomen
  die  verstrekkende gevolgen had. Voor de strijd was ruiterij nodig,  maar
  het geld om ze te bekostigen was schaars. Hij onderving dit door  de rui-
  ters land in vruchtgebruik te geven, welk land hij voor  een  deel ontnam
  van de kerk, die door schenkingen der gelovigen een uitgestrekt  grondbe-
  zit had verworven. Asl vergoeding kreeg de kerk  het  recht  om  op zulke
  gronden  tienden  te  heffen. Karel Martel versloeg de opdringerige Islam
  bij Poitiers in 732. (B144) (K).
  734. De Friezen verslagen bij Boorne. (B136).
  Na Karel Martels dood in 741 ging de macht over op zijn zoon Pippijn, ge-
  naamde de Jonge. (B144)
  741-751. Pippijn III hofmeier. (B136).
  In 751 liet Pippijn de Jonge de laatste onbeduidende naamkoning met goed-
  keuring van de aanzienlijken, in  een  klooster plaatsen en liet zich als
  soeverein erkennen. De kerk bevestigde dit  doordat  Bonifatius, op gezag
  van de paus hem zalfde met gewijde olie. De paus  herhaalde dit later nog
  eens, waarbij hij hen, die iemand tot  koning  zouden verkiezen, die niet
  tot  Pippijns  stamhuis  behoorde,  met uitstoting uit de kerk bedreigde.
  Deze welwillendheid van de paus sproot voort uit de hulp, die Pippijn  de
  paus aanbod tegen de Longobarden, die  het  de  paus  lastig  maakten. De
  Longbarden werden verslagen en de paus  ontving het gebied om Rome, waar-
  door deze wereldlijk heerser werd in een zelfstandig gebied. (B144) (K).
  751-768. Pippijn III koning. (B136) (B143).
  Toen Pippijn in 768 stierf liet hij twee zoons na, doch reeds in 771 werd
  de  jongste, Karel, door de dood van zijn broer de onbetwiste alleenheer-
  ser. (B144).
  Karel de Groote  (in 800 Keizer),  regeerde  van  768 - 814.  Hij  stelde
  rijkswetten  vast,  de  capitularia. Het rijk was verdeeld in gouwen. Aan
  het hoofd kwamen ambtenaren te staan, de gouwgraven. Zij zorgden voor: 1)
  de rechtspraak  in de gouw, 2) het innen van de belastingen en 3) het op-
  roepen  van  de heerban de lichting uit de gouw. Het bestuur van de gouw-
  graven werd gecontroleerd  door  keizerlijke  inspecteurs, de zendgraven,
  zij brachten verlag uit  aan  de  keizer.  De  gouwen  in  Holland waren:
  Maselant = Maasland, Rinlant = Rijnland  en  Kinhen =  Kennemerland.  Om-
  streeks 800 is in Noord-Nederland de kerkelijke  indeling  ingevoerd  die
  tot  1559 van kracht is gebleven.  Keulen  werd  daarbij  aartsbisdom  en
  Utrecht werd daaraan onderhoorig als suffragaan  bisdom,  dat  zich  uit-
  strekte over bijna heel ons land ten noorden van de Maas. (K).
  Karel de Grote regeerde van 768-814. Hij regeerde met hulp  van  het  hof
  (comitatus). Naast de oude Merovingsche hofbeambten komen  de  paltsgraaf
  voor de rechtsbedeling en de kanselier (ontwikkelde  clericus) als  hoofd
  van de kanselarij; de kanselier is tevens kapelaan voor geestelijke  aan-
  legenheden. Meervoudige bekleding van alle ambten. De controle op de gra-
  ven en op het gehele bestuur (ook van de bisschoppen ) wordt  uitgeoefend
  door de koningsboden (missi dominici). Voor de militaire bescherming  van
  de rijksgrenzen worden marken gevormd onder markgraven  met speciale vol-
  machten. Uitbreiding van het aantal graafschappen. Naast de graven  staan
  de immuniteitsheren. (B143) (K).
  Karel de Grote 768-814 ondernam 52 veldtochten en  vergrootte  zijn  rijk
  tot over de Alpen en Pyreneeën. (B144).
  Eind  8e  eeuw  kwam  Karel  de  Grote  aan  de  macht. Toen brak de z.g.
  Karolingsche tijd aan. Mensen vestigden zich bij Vlaardingen  en Delft en
  op de oude strandwallen, rond de mond van grote rivieren en op de Rijnoe-
  vers. Willebrord schonk een stuk moeras aan het volk.  Later werd daar de
  "Hof van Vlaardingen" gebouwd,  naast  enkele  boerderijen en een kerkje.
  (B164)
  777-866 Lijst van de goederen en hoorigen der St. Maartenskerk te Trecht:
  Rufinghem =  Ruiven onder Pijnacker en Legihem =  de  polder  Leyens  bij
  Zoetermeer. Oorkonde no. 49. (B78). (K).
  Lijst van goederen en horigen der St. Maartenskerk te Utrecht  (777-866).
  Rufinghem (of dit Ruiven onder Pijnacker is valt te betwijfelen omdat  in
  de middeleeuwen Ruiven onder Pijnanacker Ruvene of Ruveen heette en  nie-
  mand zal toch willen beweren dat deze  laatst  naam  etymologisch  zonder
  enige moeite te verklaren en  volkomen in overeenstemming met de gesteld-
  heid van de  bodem  daar  ter  plaatse een verbastering van Rufinghem kan
  zijn. (B152) (K).
  785. Onderwerping van de Saksische hertog Widukind aan  Karel  de  Grote.
  Daarmee zijn alle Nederlandse gebieden onder diens gezag. (B136).
  Ca. 790. In deze tijd was de Penning 1,71 gr zilver en de 1/2 Penning  of
  Obol  de  helft van dat gewicht in zilver, een Schelling was 12 Penningen
  en een Pond 240 penningen. (B24).
  Al spoedig onderwierp Karel de Grote de Friezen, wier laatste verzet ein-
  digde in 790. (B144).
  In 794 voerde Karel de Grote  de  zilveren  Karolingse penning in in zijn
  gehele rijk. (B142). De zilveren denarius of penning van Karel  de  Grote
  werd o.a. te Dorestad (Wijk bij Duurstede) geslagen na 793. (B142).
  Vondsten: Monster laat 8e eeuw of vroeg 9e eeuw "beslag" (B135).
  Vondsten: Wateringen  tusen  de  8e  en  de  10e eeuw "munt en aardewerk"
  (B135)
  Vondsten: Naaldwijk 8e eeuw en later "grafveld, aardewerk en bewonersspo-
  ren. (B135).
  
  800-900
  Na  de  8e  eeuw  heeft het leenstelsel (feodum)  zich  als  een olievlek
  over geheel West-Europa verbreid. Daarvoor was eigen bezit meer gebruike-
  lijk. (B121).
  25 december 800, Keizerkroning van Karel de Grote. (B143)
  Aantal inwoners Nederland in de 9e eeuw ca. 500.000 (B15).
  800-1000. Invallen Noormannen in de Nederlanden. (B143).
  Ca. 800. Liduger, een Fries van afkomst, predikt in de  Groninger gouwen.
  Later wordt hij bisschop van Munster. (B136) (K).
  Op  de  hoge kleiruggen in Pijnacker hebben zich de eerste bewoners waar-
  schijnlijk tussen het jaar 800 en 1000 gevestigd. (B109).
  In Vlaanderen (uit de tijd der Karolingers ca. 800) is de gouw Rodanensis
  (Aardenburg)  bekend,  meer  noordelijk Marsum (later Masalant) (Maasmon-
  ding),  circa  oras  Rheni (Rijnland), Niftarlake (rond Utrecht), Theanti
  (Drenthe). (B114).
  810. Begin van de Noormannentochten naar de Nederlanden. (B136).
  Onder de streken die in het bezit waren van de Noormannen, aktief  tussen
  810 en 1007 vielen ook het latere Delfland, Schieland en Maasland. (N).
  28 januari 814. Karel de Grote sterft in Aken en wordt bijgezet  in  Mun-
  ster. (B143).
  814-840. Lodewijk de Vrome. (B136).
  834-837. Plundering van Dorrestad. (B136).
  Giselbrecht  (840-841)  wordt  vermeld  als graaf in het Maasgebied, mis-
  schien Masau. (B114).
  841. Harold en Rorik krijgen lenen in de Nederlanden. (B136).
  843. Verdelingsverdrag van Verdun. De Nederlanden bij het Middenrijk, be-
  halve het gebied ten westen van de Schelde. (B136).
  855. De Nederlanden een deel van Lotharingen, het gebied van Lotharius II
  (B136).
  866. In Hollum op Ameland klooster bebouwd. (abdij Bethanië). (B118) (K)
  869. Lotharius II sterft zonder wettige nakomelingen. (B136).
  870. Verdrag van Meersen. De Nederlanden  verdeeld  tussen Oost- en West-
  Francië. (B136).
  879-883. Grote Noormanneninval. (B136).
  880. Verdrag van Ribémont. Lotharingen geheel bij Oost-Francië. (B136).
  882-885. Heerschappij van Godfried de Zeekoning, die vermoord wordt  door
  Gerulf en andere graven. (B136).
  888-893. Arnulf (van Gent) graaf van Holland. (B136).
  889. Arnulf van Oost-Francië schenkt Gerulf enkele goederen  gelegen bin-
  nen zijn graafschap in het westelijk kustgebied. (B136).
  895-900. Zwenibold, koning van Lotharingen. (B136).
  De stichting  van  de kapel te Schie is op kerkgeschiedkundige gronden te
  stellen op het einde van de 9e eeuw. (J.A.A. Rogier). (B69). (K).
  900-1000
  De plaatsnaam Sassenheim zou te vertalen zijn als "huis  der  Saksen". In
  de  10e  eeuw  zou  het zijn ontstaan, doordat een groep Saksen zich hier
  verzamelde voor de oversteek naar Engeland. (B165).
  Waarschijnlijk reeds in de 10e eeuw was in Friesland de ontdekking gedaan
  dat  de  laagveenmoerassen,  die in hun natuurlijke toestand slechts door
  enkele jagers en vogelaars bezocht werden, tot uitstekende weiden gemaakt
  konden worden door  op  korte  afstand  evenwijdige sloten te graven, die
  haaks uitmonden op een natuurlijke waterloop of gegraven wetering. (B136)
  Vroegst bekende vermelding van Overschie (Schie) en Hillegerberg (Bergan)
  900. (B05, blz 13). Van de gebieden van Schie  uit,  waar  de  ontginning
  reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was  tot  stand  gekomen.  (B13)
  (O).
  In  de  eerste helft van de 10e eeuw begon vanuit Schie de ontginning van
  het woeste veen langs De Leede en de Stricleede. (B99) (O) (V).
  Overschie  is een wegdorp, in de 10e eeuw ontstaan aan de buitenzijde van
  een  bocht  in  de Schie. Zie ook bij het jaar 900. (Schie - Ouwerschie -
  Overschie - Oude Scye - Scye). (B01).
  In de 10e eeuw lag volgens de laatste onderzoekingen Overschie geheel om-
  ringd door veenpoelen en plassen, terwijl in  het  zuiden  de  Maas  toen
  Merwede geheten voorbij stroomde. (B69) (V).
  In Kennemerland in West-Friesland hebben de bewoners  tussen 900  en  950
  een systeem van dijken aangelegd. (B118).
  911.  Karolingen in Duitsland uitgestorven. De Lotharingse hoge heren er-
  kennen nu grotendeels de West-Frankische koning. (B136).
  Aan de hand van een geheimschrift van  Pieter  Luijtensz., eerst klerk en
  later gemeentesecretaris van Berkel en Rodenrijs (tweede helft 16e en be-
  gin 17e eeuw) kon met moeite worden ontcijferd en aan  de  feiten  worden
  getoetst  dat  Berkel  en  Rodenrijs  tussen  911  en 991 als zelfstandig
  ambacht  is  ontstaan.  Overschie, eertijds Ouwerschie en nog vroeger met
  Oude Scye aangeduid, is de benaming voor wat in de vroegste tijden Roden-
  rijs moet  zijn  geweest.  "Rodenrijs" was een algemene benaming voor een
  streek die in cultuur gebracht moest worden. Rodenrijs was een wandelende
  gemeenschap  d.w.z.  dat het zich in de loop der eeuwen steeds heeft ver-
  plaatst. Er zijn meerdere gebieden geweest met de naam Rodenrijs. (B07).
  In het Zuidelijk  gedeelte  moest  meer  rijs  of ris uitgeroeid, gerooid
  worden;  vandaar  de  naam  Rodenrijs.  In  het  Noordelijk gedeelte meer
  berkenhout; vandaar de naam Berkel,  mogelijk afkomstig van berkelo, d.i.
  berkenbos. (B13). Rodenrijs = ontwatering, droogmaking, een rode of roede
  was  een stuk veen- en/of bosgrond dat van het opgaand houtgewas was ont-
  daan, terwijl het werkwoord risen  of  rijzen nu nog wordt gebruikt in de
  papierfabrikage voor het procedé om  papier  te ontvochten, het watervrij
  maken van papier. Alle woorden en namen met  rijs duiden op droogmakings-
  werkzaamheden o.a. Rijsoord, Rijswijk,  Rijsdijk,  Rijskade en Rodenrijs.
  Rode vindt men ook in Bredenrode, Berkenrode, Nijenrode enz. (B07).
  De uitgang lo betekent hoge bosstreek. We vinden die mogelijk  in  Berkel
  dat uit Berkelo  gevormd  kan  zijn. De veronderstelling is gewettigd dat
  Berkel inderdaad hoog gelegen was. (Lo betekent soms ook plas, stilstaand
  water of moeras). Mij dunkt, dat verspreid hoger gelegen gebieden  in  de
  wildernis voorkwamen.  Naast de naam van Berkel kan die van Hogeveen (bij
  Nootdorp) hierop wijzen. (B34).
  Toen  een gedeelte van rijksweg 13 bij Overschie werd aangelegd is men op
  de  fundamenten  van dat kasteel gestuit. (Hofstad of kasteel Rodenrijs).
  (B13) (V).
  918-965. Arnulf de Grote van Vlaanderen. (B136).
  918-975. Balderik, bisschop van Utrecht. (B136).
  Opkomst van het graafschap Holland. Omstreeks 920 zijn er vier machten in
  de lage landen die hun stempel het sterkst op de ontwikkeling drukken: 1)
  Het bisdom Utrecht waar de jeugdige bisschop  Balderik zijn entree doet.;
  2) Kennemerland! Deze machtskern komt tot ontplooing in een  uithoek  van
  het hertogdom Lotharingen.; 3) "Graaf  in  Friesland",  zo luidt de titel
  van graaf Gerulf, die vrijwel  onbereikbaar achter het moerassenland zijn
  gang kon gaan. De uitgestrekte bossen in zijn graafschap, hout- of  holt-
  land, zullen anderhalve eeuw  later  de  naam  Holland opleveren.; 4) Het
  graafschap Vlaanderen onder Boudewijn II. (B108). (K).
  922. Karel de Eenvoudige van West-Francië schenkt Dirk I van  Holland wat
  land in zijn graafschap. (B136).
  922.  Dirk I, prefect van de kuststreek, zoon van Gerulf ontmoet de West-
  frankische  koning  Karel de Eenvoudige (tevens heerser over Lotharingen)
  in Bladel en krijgt daar "De kerk van Egmond en al het land, dat er rech-
  tens toebehoort met de hoeven en het dienstvolk enz. enz." van deze  oor-
  konde bestaat alleen nog een afschrift van 1172. Vermoedelijk had  Dirk I
  het gebied van Egmond dat toebehoorde aan het klooster te Echternach zich
  reeds rustig toegeëigend en deze gebiedsuitbreiding door de zwakke koning
  van het Westfrankische rijk (die niet eens zijn leenheer was!) laten wet-
  tigen. (B108). (K).
  De zoon van Gerulf, Dirk I, ontvangt van de  Westfrankische koning  Karel
  de Onnozele goederen o.a. de kerk te Egmond met alles wat  daar  rechtens
  toegehoord. (B144) (K).
  15  juni  922.  Koning Karel III schenkt, op voorspraak van graaf Hagano,
  aan Dirk I de kerk van Egmond met alle toebehoren van Swithardeshage  tot
  Fortrapa en Kinnem. (B46). (K).
  Omstreeks 922 verrees de eerste kapel in het Rodenrijs. Behalve de  kapel
  te Overschie heeft Rodenrijs van oudsher nooit een  andere  kerk  bezeten
  (Zie  ook  bij  het  jaar  1083).  (B07).  (In  het  Rodenrijs  =  in het
  ontginningsgebied Rodenrijs = in Overschie?). (K) (O).
  HET ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE LEENSTAATJES, GESCHIEDENIS HOLLAND.
  De  oorsprong  van  het  graafschap  Holland  ligt bij de Vikinghoofdman:
  Godfried. Keizer  Lotharius  had  hem aangesteld, om de kuststreken tegen
  zijn stamgenoten te verdedigen.  In 922 had Dirk I, zoon van een onderge-
  schikte  van Godfried de Noorman, Kennemerland en Rijnland in leen, o.a.,
  de kerk en de kerkelijke goederen van Egmond. Onder  zijn  zoon  Dirk  II
  kwamen daar nog de streken in Maasland en West-Friesland bij, o.a. Medem-
  blik en Texel. Dirk III was al zo machtig, dat hij tol hief van de  sche-
  pen, die de Maas opvoeren; toen de kooplieden  hierover  klaagden  bij de
  keizer en toen deze zijn leger zond onder hertog Godfried van Lotharingen
  en bisschop Adelbold van Utrecht, versloeg Dirk III dit leger bij  Vlaar-
  dingen in 1018. In 1064 gaf keizer Hendrik IV, Holland in leen  aan  bis-
  schop Willem van Utrecht. Graaf Dirk V was minderjarig, maar  zijn stief-
  vader Robert de Fries vocht tegen bisschop Willem en tegen  de hertog van
  Lotharingen: Godfried met de Bult. Tenslotte slaagde  Dirk  V (1091-1122)
  erin zijn gebied te behouden. (B95). (K) (N).
  Sinds de tijd, dat Holland bijna  ten  onder  was gegaaan, was dit graaf-
  schap klein en onbelangrijk; het bestond voor een groter deel  uit  water
  dan uit zand en de Kennemerboeren en de West-Friezen gehoorzaamden nauwe-
  lijks aan de graven die beurtelings Floris en Dirk heetten. Ook hadden de
  Hollandse graven het aan de stok met Vlaanderen over het bezit  van  Zee-
  land-bewester-Schelde. De  Hollandse  graaf  Willem  II  (1234-1256. geb.
  1226) werd Rooms koning in plaats  van Frederik II van Hohenstaafen, maar
  hij is nooit algemeen erkend geweest en heeft het nooit tot  het  keizer-
  schap gebracht. Hij heeft een stenen jachtslot laten bouwen in 's Graven-
  hage (nu de Ridderzaal). Hij sneuvelde in 1256  tegen de West-Friezen bij
  Hoogwoud. Zijn zoon en  opvolger  Floris  V  (1256-1296, geb. 1254) stond
  aanvankelijk onder regentschap van zijn oom Floris de Voogd en daarna van
  zijn tante Aleidis, deze heeft veel gedaan voor  de  opkomst van Schiedam
  en Rotterdam (bedijking en inpoldering). Floris V  ondernam een veldtocht
  tegen de West-Friezen, hij wist ze te onderwerpen.  Floris V werd in 1296
  vermoord. Opvolger van Floris V was zijn 16  jarige  zoon  Jan  I  (1296-
  1299). De oude  vijanden,  West-Friezen,  Vlamingen  en  de  bisschop van
  Utrecht staken de kop weer op, zij werden bedwongen door de Zeeuwse edel-
  man Wolfert van Borselen, die de jonge graaf Jan I geheel in  zijn  macht
  hield. Met graaf Jan I stierf het Hollandse huis (922-1299) uit. De naas-
  te erfgenaam was Jan van Avenes, graaf van  Henegouwen;  voortaan  zouden
  Holland, Zeeland en Henegouwen dus onder één graaf staan. Willem III  (de
  Goede) volgde Jan van Avenes op en na Willem III (de Goede) werd de Hene-
  gouwse graaf Willem IV graaf, deze werd opgevolgd door zijn zuster Marga-
  retha (gehuwd met Lodewijk van Beieren), hun zoon Willem V, de  Verbeider
  (1345-1358) zou na de dood van zijn moeder Margaretha, graaf van Holland,
  Zeeland en Henegouwen worden ook nam hij voor haar waar bij haar afwezig-
  heid.  Gravin  Margaretha  en haar zoon Willem V, de Verbeider hadden on-
  enigheid over het bestuur. Achter Willem stonden de kabeljouwen en achter
  de gravin de meeste edelen, de Hoeken welke voor handhaving van de feoda-
  le toestand waren. (B95).
  In de tijd dat de Duitse keizers hier het gezag uitoefenden - van 925 tot
  het midden van de 13e eeuw, formeel zelfs tot veel later datum, maar  dat
  was een wassen neus - benoemde de keizer de graven en bisschoppen. (B104)
  (K).
  Omstreeks 925 stichtte Dirk I, de heerser van het westelijk kustland, een
  klooster voor  zusters  te Egmond.  Dirk I die in 922 Egmond van Karel de
  Eenvoudige  van Frankrijk had ontvangen plaatste dit klooster op zijn ei-
  gen gebied. Hij werd dus de 'heer' van het klooster, dat zijn eigenkloos-
  ter werd. Het was een eigenklooster van de graven uit het westelijk kust-
  land, later Holland genaamd. Zij droegen dit klooster niet op aan de  ko-
  ning,  noch  stelden  zij  het onder 's konings bescherming. Zij oefenden
  zelf de voogdij uit, of lieten dit door een onder-voogd doen (door de he-
  ren van Egmond). Welliswaar droeg graaf Dirk IV de abdij over aan de hei-
  lige stoel, maar dit bracht de grafelijke rechten op de abdij niet in ge-
  vaar. (B125). (K).
  Overschie bestond in 1929 1000 jaar, geboortejaar van  Overschie  is  dus
  929. (B69). Overschie, Ouweschye, Schie, Sche.
  Ca. 930 eerste bewoning Overschie. (B132).
  944. Wegens zijn trouw in de opstand van de Lotharingse heren krijgt bis-
  schop Balderik van Utrecht, goederen in de gouw lake et Isla, die  toebe-
  hoord hadden aan Radbod en Waldger, een broer van  Dirk  I  van  Holland.
  (B136) (K).
  Van de gebieden van Schie uit, waar  de  ontginning  reeds  in  de eerste
  helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen, werd de cultivering geleide-
  lijk voortgezet door inpoldering van het veengebied, hetwelk zijn natuur-
  lijke grens vond aan de Lede (Oude Lede) en de Stricklede. (B13) (O) (V).
  In  de  tweede helft van de 10e eeuw reisde een Moors gezant van de Maas-
  mond  naar Utrecht. 's Zomers als de wateren opgedroogd zijn, op hun wei-
  den gaan en daar het leem met bijlen in tegelvorm afsnijden. (B34) (V).
  De  abdij  van  Egmond  ca.  950  gesticht  door  Dirk II en zijn gemalin
  Hildgardis. Dirk II bezat ook goederen in Vlaanderen bij  Gent  b.v.  het
  land van Waes, hij werd zelfs meerdere malen graaf van Gent  genoemd.  De
  goederen werden omschreven als "uitgebreide persoonlijke goederen" (B148)
  (K).
  Het geslacht van Ricfried in de Betuwe,  waartoe  Erenfried (overl. 960),
  broer van bisschop Balderik en zijn neef en erfgenaam Ansfried behoorden.
  Deze familie bezat de graafschappen Hattuaria,  de  Betuwe,  Teisterbant,
  Toxandrië en die in de Maasgauw,  noordelijk  Maasland en West-Friesland,
  doch zij stierf uit of werd  overvleugeld  door  de graaf van Leuven. Het
  geslacht Ricfried beschikte niet over kloostergoederen. (B114). (K).
  Het jaar 963  wordt aangehouden als het geboortejaar van Berkel en Roden-
  rijs. (B07).
  In Nederland is de oudste vermelding van een door waterkracht aangedreven
  molen van het jaar 970. (Waterradmolen) (M).
  In 973 werd er al veen gestoken in de omgeving van de stad Utrecht. (B20)
  (V).
  976-990. Folcmarus (Poppo) bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  DE ONTGINNING VAN DE PAROCHIE SCHIE.
  De  middeleeuwse  openlegging  door ontginning van het veengebied, waarin
  ook de parochie Scie ligt, vangt waarschijnlijk aan in het laatste  kwart
  van de tiende eeuw met als oudste centrum Vlaardingen. Reeds in het begin
  van de achtste eeuw schenkt een zekere Heribald aan Willebrord  een  kerk
  met de tiendrechten in dit gebied, maar na  stijging van de zeespiegel in
  de negende eeuw is door wateroverlast het land zover ontvolkt, dat pas in
  985 het als keizerlijk domein opnieuw wordt uitgegeven  aan de graven van
  het latere Hollandse huis en omstreeks 1040  zijn  in  het achterland van
  Vlaardingen twee kleine bevolkingskernen ontstaan met elk een kapel,  re-
  sorterende onder de kerk van Vlaardingen, n.l. Hargan, nu Kethel,  aan de
  bovenloop van een ten dele verland riviertje de Harg, en Skie op de zware
  kleirug, afgezet door een grote, eveneens  ten  dele  verlande  kreek, de
  Schie. Deze kleirug loopt vanaf het dorp Overschie langs  de  Rotterdamse
  Rijweg en de oude Kleiweg, waar hij het karakter  van  rug verliest, maar
  het laatste restje van de bovenloop van de kreek is zelfs nu nog  tendele
  aanwezig  als  een  watertje, dat de grens vormt tussen de voormalige ge-
  meenten Schiebroek en Hillegersberg en in de middeleeuwen tussen de paro-
  chies  Schie  en Rotte. De ontginningen gaan aan weerskanten uit vanaf de
  kleirug en staan ten naaste bij met hun percelen loodrecht op zijn  slin-
  gerend beloop. Deze percelen zijn niet diep, 500 tot hoogstens 700  meter
  en soms nog minder. Gaan wij deze na van west naar oost: In de Galchhoeck
  ligt het westelijk deel  in  oost-west  gerichte kavels, in het oostelijk
  deel zijn deze noord-zuid gericht. De boerderijen en de kerk liggen allen
  op de oeverwal van de Schie. In de Kleinpolder ten oosten van  de Rotter-
  damse rijweg liggen de percelen weer oost-west, eindigende tegen een  we-
  tering. Het grootste deel van deze landerijen  vormt  een  aaneengesloten
  complex Van Rodenrijs-landen, n.l. Van Rodenrijs, Van den Veen en Van der
  Spangen.  Ook  hier liggen de boerderijen op de kleirug o.a. Willems hof-
  stad van den Vene ten zuiden van de kerk. Ten noorden van de Oude Kleiweg
  eindigen de percelen ook tegen een wetering, de Elvezwet, en lopen noord-
  zuid, wat ook het geval is ten zuiden van de weg, waar  de wetering later
  vergraven is tot een deel van de Rotterdamse Schie.  Vooral  in  de  hoek
  tussen deze wetering en de weg ligt een  complex  Van der Spangen-landen,
  waartegenover aan de noordzijde ook Van der Spangen-bezit.  Aan  de zuid-
  zijde van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen straalsgewijs, eindig-
  ende tegen de Blijdorpse watering en twee  sloten;  een  lopend  naar  de
  Horenweg, de andere naar de Rotterdamse Schie.  Dit  gehele bovengenoemde
  complex vormt de vroeg elfde eeuwse ontginning van Schie, waarvan een be-
  langrijk deel in het bezit was van de Van Rodenrijs-groep blijkt te zijn.
  De  eerste  uitbreiding  van deze kern is in zuidelijke richting langs de
  hoge noordelijke oever van het riviertje de Spangen, waarbij men de lange
  percelen ten zuiden van de kerk tot dubbele diepte over de Horenweg  ver-
  lengde: de  State ter Spanghen, en hierop aansluitend een tweede ongeveer
  evengroot complex: de Bridorp Sate. Deze laatste bestaat uit enkele grote
  percelen,  strekkende  van de Blijdorpse watering tot de Spangen zelf. De
  eerste sate heeft kennelijk één groot landbouwbedrijf gevormd. Deze beide
  grote  "saten" zijn zo belangrijk geweest, dat zij naamgevend zijn gewor-
  den  voor  grotere  complexen, n.l. de Spaanse (= Spangense) polder en de
  Blijdorpse (= Bridorpse) polder.  Hierop aansluitend volgen naar het oos-
  ten enkele grote regelmatige percelen, waarvan de laatsten in het noorden
  de  Rotterdamse  Schie  bereiken,  waarlangs - en evenwijdig aan een kade
  loopt, die grafelijk domein blijkt te zijn, de 's Gravenweg.  Het  eerste
  perceel  van dit complex is Van der Spangen c.s. bezit, zodat hier de fa-
  milie  een  deel  van de ontginning geclaimd heeft. Over het tijdstip van
  deze laatste ontginning kunnen wij slechts gissen, maar deze zal  vrijwel
  gelijktijdig zijn met die van Zestienhoven in het noorden. Hier  is  n.l.
  in eenmaal een concessie van 16 hoeven, elk groot 30 morgen in totaal dus
  480 morgen  uitgegeven.  In tegenstelling tot de oudere ontginningen zijn
  de percelen  hier  ongeveer  2250 meter diep; in het noorden eindigt deze
  ontginning tegen een kade of een zijdwinde, die grafelijk bezit is en se-
  dert de dertiende  eeuw  in leen wordt uitgegeven. In het oosten eindigen
  zij eveneens tegen een ontginningskade, de landscheiding, die bescherming
  biedt tegen het water van het nog onontgonnen Schiebroek; in  het  westen
  wateren de percelen  af op de (Delftse) Schie. De Van Rodenrijse's hebben
  hier het deel dat het dichtst tegen de oudere  ontginningen  aansluit  en
  ongeveer 3 a 4 hoeven groot is.  De  ontginningen worden later voortgezet
  met Schieveen en Ackersdijk en ook hier weer hetzelfde beeld. Weer is een
  groot deel van het  tegen  de  oudere  ontginningen aansluitende land Van
  Rodenrijs-bezit. Met het bereiken van de Oude Lede hebben  de  ontginners
  de ontginningen  bereikt,  die  in zuidelijke richting vanuit het Hof van
  Delft plaats vinden en  thans kunnen wij ons wagen aan een tijdsbepaling.
  Het gebied ten  noorden  van  de  Oude Lede wordt door gravin Petronella,
  overleden 1144, geschonken aan het door haar in 1133  gestichte  klooster
  te  Rijnsburg,  zodat vauit het noorden de Lede dus omstreeks 1135 is be-
  reikt. Wouter,  abt  van Egmond (1130-1161), beschikt over de tienden van
  Rodenrise en  schenkt  deze  aan  het  hospitaal te Egmond, wat er dus op
  wijst, dat de ontginning plaats heeft gehad. Wij mogen dan  ook  stellen,
  dat deze in de eerste helft  van de twaalde eeuw hebben plaatsgevonden en
  inderdaad zien wij in 1156 voor het eerst een Van Rodenrijs  optreden. In
  het  zuiden  van de oudste ontginningen is inmiddels een zelfstandig com-
  plex Matenesse ontstaan, maar sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw
  wordt het gebied hier bedreigd door het water, daar een  nieuwe  stijging
  van de zeespiegel is begonnen. In Kethel worden in 1164 grote verwoestin-
  gen aangericht  en  worden  omstreeks 1170 dijken ter bescherming van het
  land aangelegd, die door een dam in de Schie dicht bij de kerk van  Over-
  schie, aansluiten  op  de  oude  ontginningskaden  op  de oeverwal van de
  Schie, die verhoogd worden tot waterkerende dijken. Ook  langs de Spangen
  komt er een dijk te liggen en als omstreeks 1200 het laatste meest ooste-
  lijke deel van de Blijdorpse polder ontgonnen wordt in percelen van onge-
  veer 1100 meter diepte, dient ook hier gelijktijdig een beschermende dijk
  aangelegd te worden. En deze dijk draagt  de  naam van de ontginner, n.l.
  Bokelsdijk; ook de tienden in dit deel van de Blijdorpse  polder heten de
  Bokeldijkse tienden en uit de oudste verhoefslaging van de later  zeedijk
  van Schieland blijkt, dat dit deel van de Blijdorpse  polder  oorspronke-
  lijk Bokelsdijk heet. Het kan geen toeval zijn dat wij op 3 november 1200
  voor het eerst een Theodericus Bokel ontmoeten.  In het zuiden wordt ont-
  ginnen bedijken en als eerste bedijking komt het  poldertje  de  Zeventig
  Morgen tot stand, door verbindingsdijken aan  te  brengen  tussen die van
  Matenesse enerzijds en die van Galchhoek en  de  Bridorpsate  anderzijds.
  Dit gebeurt voor de aanleg van de dam  in  de Schie te  Schiedam en na de
  bedijking van de Blijdorpse polder, dus tussen 1200 en 1245. De helft van
  dit  poldertje,  liggende voor de Sate ter Spanghe en de Bridorpsate komt
  in het bezit van de  Van Matenesse-Van  der Spangen-groep. Omstreeks deze
  tijd moet  de  erfdochter van Dirc Bokel, heer van Matenesse, gehuwd zijn
  met het hoofd van deze groep, zodat hier waarschijnlijk sprake geweest is
  van een wel overwogen zakelijk huwlijk. De noordelijke dijk van dit  pol-
  dertje,  die  de  zate  ter Spanghe verbindt met Dirc Bokels hofstad uter
  Nesse, komt op de zeventiende eeuwse kaarten voor als Vermaveldijk. In de
  middeleeuwen kan een  "V" zonder bezwaar de plaats van een "B" innemen en
  met  deze  wetenschap  wordt  deze  vreemde naam ons duidelijker n.l. ver
  Mabelsdijk, dus de dijk van vrouwe Mabelie. Het is wel  erg  verleidelijk
  in vrouwe Mabelie de erfdochter van heer Dirc Bokel te zien! Nu is het de
  beurt aan de Bokels om het dijkfront  naar  het  zuiden  en  westen op te
  schuiven; de latere ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk, tot stand geko-
  men in het begin van de  dertiende  eeuw.  Hierbij  claimen  de  Van  der
  Spangens  het  land  binnen deze bedijking gelegen voor de Bridorpsate en
  zelfs buiten de nieuwe dijk tot aan de rivier. Inmiddels is in het noord-
  oosten de onginning van het veengebied voortgegaan. Voor de landscheiding
  van Ackersdijk-Schieveen ontstaat het ambachtje  de  Tempel en de Hof van
  Rodenrijs, waarschijnlijk in de eerste  helft  van  de  dertiende eeuw en
  kort hierna wordt ook het lage broekland achter Zestienhoven en Oudendijc
  tot ontwikkeling gebracht. Ook hier treffen we 2000  meter  diepe  kavels
  aan. (K) (L) (O) (V).
  Graaf  Arnulf  (Arnoud),  zoon  van  Dirk II, schonk tussen 980 en 993 de
  kapel en tiendrecht te Schie aan de abdij van Egmond. (B13) (K).
  Evangelie aantekeningen - giften graaf Arnulf:  "Similiter Hargan et Sche
  cum decimacione sua." (B146 ca. tussen jaren 980 en 993).
  In een register van de abdij van Egmond staat dat graaf Arnoud (Arnulfus)
  en  zijn  gemalin Lutgarda (Luitgard) aan de abdij o.a. de kapel te Schie
  en  het  tiendrecht aldaar geschonken hebben. Arnoud (zoon van graaf Dirk
  II de graaf  van  Holland)  huwde in 980 met Luitgard en sneuvelde in 993
  bij Winkel  tegen  de  West-Friezen. M.i. is het zeker dat de allereerste
  bewoning van  Schie zal dateren van minstens 50 jaar voor deze schenking.
  Overschie is overigens niet gesticht maar landzamerhand ontstaan.  (B69).
  (K).
  Reeds  in  het  jaar  985 was er al sprake van de Oude Leede en de Strik-
  leede. (B04, pag. 101).
  Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond,  van  zijn
  voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno  abt van
  Egmond was aan het klooster geschonken goederen:"De tiende tusschen Delft
  en Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
  van de Striclede tot aan't einde, een  manfe,  die jaarlijks  zes deniers
  opbrengt; noch ter zelver plaatze  een vierendeel,  dat  jaarlyks vyftien
  deniers opbrengt. (B151). [985 lijkt aannemelijk als jaartal in B04.] (K)
  In  985  kreeg graaf Dirk II van de keizer alle goederen tussen IJssel en
  Lier in bezit. (Facetten van Delft, G.D.B. - 12, div. , 1985).
  985. Dirk II wordt graaf genoemd in  Kennemerland,  Tessel  en  Maasland.
  (B136).
  De  kleitong  Delft-Pijnacker  was  sinds 985 privé-eigendom van de graaf
  (B137).
  In 990 lag Overschie (Schie) aan het uiteinde van de Schie, op de  plaats
  waar de Schie de Maas bereikte. Overschie lag toen nog aan zee. (B05).
  (Met zee zal hier wel de Merwede, later Maas bedoeld zijn.)
  Ca. 993 vermelding "kapel te Sche" (B132). (K).
  Graaf  Diederik  III  (993-1039)  die  zijn  graafschap  uitbreide aan de
  Merwede  (Oude  naam  Maas),  met Vlaardingen als operatiebasis, geholpen
  door  de  abdij  van  Egmond en voor meer westelijke gebieden door de St.
  Paulus-abdij  te  Utrecht.  "De parochies van het oude decanaat Hollandia
  behoorden alle  aan  deze  abdijen. Het oude land dezer Schielandse paro-
  chies is één gemeenschappelijke bedijking dier twee abdijen, welke de pa-
  rochies Rotte, Bleiswijk  en  Zevenhuizen  (van St. Paulus) en Schie (van
  Egmond) omvatte" (B13). (K).
  993-1039. Dirk III, graaf van Holland. (B136).
  995-1010. Ansfried, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  In het zuiden vormde Maasland, de omgeving van Vlaardingen  en  Maasland,
  een  gebied, dat reeds in de 10e eeuw bedijkt was. Ten westen daarvan ge-
  scheiden door  de rivier de Lier, lag een reeds vroeg omdijkt gebied rond
  Naaldwijk.  Ten  oosten  van Maasland liep de oudste waterkering ook vrij
  wat  verder  binnenwaarts. Nadat vooral in het gebied waar de Schie en de
  Rotte in de Nieuwe Maas, toendertijd Merwede genoemd, vloeiden, verschil-
  lende opwassen waren bedijkt, werd nog voor de dertiende eeuw het  geheel
  binnen een aaneengesloten  waterkering  getrokken, waarvan binnen de stad
  Rotterdam de  Hoogstraat  en  de  Schiedamse dijk de meest markante delen
  vormen. (B92).
  Met  de ontginning van het uitgestrekte veengebied is waarschijnlijk niet
  eerder  dan  in  de  10e  eeuw een aanvang gemaakt. (B43). De methode van
  evenwijdige  opstrekkende verkaveling volgens welke de Hollands-Utrechtse
  laagvlakte is ontgonnen,  is  door  Van  der Linden uitvoerig bestudeerd.
  Uitgegaan wordt van een rivier, veenstroom of gegraven watergang als ont-
  ginningsbasis, waarlangs boerderijen worden gebouwd.  Van  daar worden de
  hoeven uitgemeten,  idealiter elk met een gelijke breedte en diepte. Aan-
  nemelijk is dat de  eerste  ontginningen  zijn aangevat vanaf de nog niet
  ontgonnen delen der oeverwallen, de klei-op-veen oevers van de grote  ri-
  vieren en de direkt daarop uitkomende veenstromen. (B43) (O) (V).
  Ontginning: Tot 1955 meenden historici  dat  de  kolonisatie  van de Hol-
  lands-Utrechtse laagvlakte omstreeks 1200 begonnen was. (Geboren uit  het
  feit dat de oudst dan bekende oorkonde welke betrekking heeft op de kolo-
  nisatie in Holland van 1233 dateert). Hollanders zo bleek later,  koloni-
  seerden in 1106 reeds de Bremer Marsen in Duitsland en  verder  onderzoek
  leerde dat Esselijkerwoude, Rijnsaterswoude en Leimuiden  reeds  in  1063
  kapellen hadden, waaruit en uit andere vergelijkingen opgemaakt kon  wor-
  den dat de kolonisatie van Holland voor 1063 begonnen  moet  zijn.  In de
  verdere studie komt men tot het jaar 1000 voor het eerste begin.  Zoeter-
  meer moet voor 1000 ontgonnen zijn en Zegwaart na 1200 en pas daarna Rog-
  geveen (Rokkeveen). (B127) (O).
  Natuurlijk zijn er in de oudste periode tot omstreeks 1000 wel teksten in
  de volkstaal, het Diets, vastgelegd, maar hiervan is niets teruggevonden.
  Het oudste zinnetje  in  een  Nederlands dialect dat bewaard is gebleven,
  werd in 1934 bij toeval door een Engelse geleerde in Oxford ontdekt.  Het
  zinnetje  luidt: "Hebban alla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu"
  (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij):  de vertaling van
  een  Latijnse  zin  die  er juist boven staat. Waarschijnlijk dateert het
  zinnetje  uit de elfde eeuw. Het duurde daarna nog wel honderd jaar voor-
  dat er teksten in het Diets geschreven werden waarvan wij afschriften be-
  zitten. (B128).
  Het door  een  Westvlaming in Engeland rond 1100 neergekrabbelde liefdes-
  zinnetje:  "Hebban  olla uogola nestas hagunnan.  Hinase hi(c) [e]nda thu
  uua[t]  (u)ntida(n)  (uu)e nu."  ("Alle  vogelen zijn nesten begonnen (te
  bouwen) behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?"). (B24).
  1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Voor 1000  waren  er  in  het  Westland  twee  parochies  n.l. Monster en
  Naaldwijk. (B135) (K).
  
  1000-1100
  De eerste dijk werd in Nederland pas in de 11e eeuw aangelegd. (B20).
  In de 11e eeuw kwam een ronde stenen muur in gebruik, zoals te Leiden en
  bij Teilingen nog te zien is. (B144).
  Aanleg  Oude  zeedijk  (Oude Maasdijk)  begonnen  rond het jaar 1000 door
  Egmonder monniken en monniken van de Sint-Paulus abdij. Of  het  twintig,
  vijftig of honderd jaar duurde voordat de dijk klaar was is  niet te zeg-
  gen. (B05, blz 13 t/m 15). In oorsprong is de beroemde weg naar Kralingen
  vermoedelijk  aangelegd door de Romeinen. In de 10e eeuw werd de weg ver-
  hoogd  om  het  water van de Maas te keren en in de 13e eeuw opnieuw ver-
  hoogd zodat de weg vrijwel steeds droog bleef. Na de bouw van  de  nieuwe
  dijk noemde men deze dijk "De Oude Dijk". (B20) (K) (R).
  Slag bij Vlaardingen. ca. 1000. (B117).
  Men meent dat de oudste sluizen dateren van kort na 1000 na Chr. (B65).
  We zien kort na 1000 Dirk III zich nestelen aan de rivier bij Vlaardingen
  "Friese" kolonisten uit het gebied benoorden de rivier waren  begonnen de
  wildernis van kreupelbos en moeras te ontginnen, ze groeven sloten om het
  land droog te  leggen en  omringden hun akkers met kaden.  Ter hunner be-
  scherming en om zijn gezag  te  vestigen  bouwde Dirk  III in dit gebied,
  misschien  bij  Vlaardingen  een sterkte,  vanwaar uit hij tevens de pas-
  serende kooplieden werden gedwongen tol te betalen. Op  de  protesten van
  de bisschop van Utrecht,  aan  wie  dit  gebied behoorde en die van Luik,
  Trier en Keulen,  die  eveneens zekere rechten konden laten gelden, en op
  de klachten  der kooplieden, vooral die uit Tiel, besloot de keizer in te
  grijpen.  Maar Dirk kon zich handhaven, dankzij een overwinning op de ge-
  lande troepen. (B144). (K).
  Rond  1000  (Alpertus Mettensis). Een aantal Friezen vestigden zich in de
  wildernis,  de  Meriwido (Vlaardingen). Maar de roovers hebben hen nader-
  hand onderworpen; aan een ieder wezen zij land toe ter ontginning enz. In
  1018, slag bij Vlaardingen om de Friezen te verdrijven uit hun wederrech-
  telijk ingenomen  woonplaatsen  en  de roovers te verwijderen, (roovers =
  welgeborenen??). (B35) (O).
  "In het moer van Holland, met zijn vennen  en  reigerbossen,  poerden  de
  moddergasten al sinds het begin van de 11e eeuw.  Eerst van de duinen uit
  de wildernis in, later ook vanaf de hoge oevers van Maas en Schie."
  (Bron: Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977).
  De Zanddijk tussen Bakkum en Limmen beschermden de abdij van Egmond al in
  de 11e eeuw. (B25). (K).
  Zoetermeer  is  een  ontginningsdorp  in  het begin van de 11e eeuw op de
  oostoever van het Zoetermeerse Meer ontstaan. (B01) (O).
  1005. Koning Hendrik II leidt een krijgstocht tegen de West-Friezen,  ten
  behoeve van Dirk III. (B136).
  1006-1007. Laatste Noormannenaanvallen, beschreven door Alpertus van Metz
  (B136).
  1010-1026. Adalbold, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  1019. Dirk III van Holland verslaat het leger van de bisschop van Utrecht
  en de hertog van Neder-Lotharingen, dat zijn  te  Vlaardingen  gestichtte
  tol kwam vernietigen. (B136) (K).
  Veel minder zeker kunnen  we  zijn van  de status (horige lieden of vrije
  boeren) van de parochianen van  Hillegersberg, het centrum van het Rotte-
  gebied, zij waren onderworpen aan  de  kerkelijke  autoriteit  van de St.
  Paulusabdij, maar over hun werledlijke positie worden we niet  ingelicht.
  (B158) (K).
  De  N.H.  kerk  van Leerbroek dateert vermoedelijk uit het stichtingsjaar
  der gemeente n.l. 1025. (B113). (K).
  Bij  oorkonde van  3 februari 1028 bevestigd keizer Conrad de St. Paulus-
  abdij  in  de  goederen, geschonken door de bisschoppen Ansfried en Adel-
  bold, waaronder de kerk Rotta. Rotta omvat Hillegersberg, en de later er-
  van  afgesplitste  parochies Bleyswijk, Zevenhuizen, Cralingen en Rotter-
  dam. Het woord Rotta  zou  oorspronkelijk afgeleid kunen zijn van een oud
  woord voor ontginning  "rode",  dat  nu  nog  voortleeft in het werkwoord
  rooien.  De kern  van deze ontginning werd waarschijnlijk gevormd door de
  zandheuvel van Hillegersberg. (B150) (K).
  Het kerkje van Hillegersberg was voor 1026 door den bisschop van Utrecht,
  wiens diocees toen bijna het gehele tegenwoordige Nwderland omvatte,  ge-
  schonken aan de St. Paulusabdij (toen nog Hohorst) te Utrecht. (B159) (K)
  De Hillegondakerk van Hillegersberg (Rotte/Rotta)  bestond  al  in  1028.
  (B01). (K).
  De kerk van Rotte bestond reeds in de tijd van bisschop Adelbold (overle-
  den in 1026) (B038). (K).
  3 febr.  1028.  Kerk te Hillegersberg (Rottae) geschonken aan klooster te
  Lokhorst (later de St. Paulusabdij te Utrecht). (B46). (K).
  "Verder  op  lag  nog in 1028 op kleinen afstand van de Merwede (Maas) de
  kerk van Rotta (Hillegersberg). Onbegrensd liep de parochie van Rotta nog
  naar het noorden en oosten uit in het eenzame veenland. Pas later  zouden
  hier hare  dochters,  de  kerken  van Bleiswijk, Zevenhuizen en Kralingen
  ontstaan." (B04) (K) (V).
  1028  Keizer  Koenraad  II  bevestigt  de abdij te Hohorst, de latere St.
  Paulusabdij  te  Utrecht in het bezit van de door de bisschoppen Ansfried
  (995-1010) en  Adelbold (1010-1026) geschonken goederen waaronder de kerk
  te Rotte Vrgl. voor de kerk van Vlaardingen en dochterkerken. (K).
  1039-1049. Dirk IV, graaf van Holland. (B136).
  De belangrijkste aanmuntingen in de noordelijke Nederlanden staan op naam
  van de bisschop van Utrecht. Vanaf de verlening van het muntrecht in 1040
  hebben vrijwel alle bisschoppen van deze stad munten geslagen. (B142) (K)
  1049-1061. Floris I, graaf van Holland. (B136).
  Vroegst bekende vermelding Abtsrecht 1050.
  Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond,  van  zijn
  voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno  abt van
  Egmond was aan de abdij geschonken goederen: "De tiende tusschen Delft en
  Schieland, tot den waterloop Lede,  en  van de Lede tot de  Striclede, en
  van de Striclede tot aan't einde, een  manfe,  die jaarlijks  zes deniers
  opbrengt; noch ter zelver plaatze  een vierendeel,  dat  jaarlyks vyftien
  deniers opbrengt. (B151) (K).
  1057-1067. Bisschop Willem van Utrecht. (B136) (K).
  1061. Floris I van Holland vermoord, bisschop Willem van Utrecht wordt nu
  met zijn graafschappen beleend. (B136) (K).
  1061-1091. Dirk V, graaf van Holland, aanvankelijk onder voogdij van zijn
  moeder Geertrui en haar tweede echtgenoot Robrecht de Fries uit  Vlaande-
  ren. (B136)
  Het  dorp  Overschie  bestond reeds voor 1063 onder de naam Kapel-aan-de-
  Schie en werd later Ouderschie  en  ook wel Oud-Schiedam genoemd. De oude
  kerk van Overschie werd door de Hoekschen in 1489 afgebrand. (B61) (K).
  In oorkonde no. 225 staat Overschie op de kerkenlijst  van  1063.  (B78).
  (K).
  Vroegst bekende vermelding Ruiven 1063. [Achterhaald]
  Zoetermeer was een  bottingambacht;  botting was een belasting, het woord
  is een verbastering  van  bod - ding. Ding is een oud woord voor vergade-
  ring of rechtszitting. In oude tijden bezocht de graaf alle plaatsen  van
  zijn  graafschap  en hield daar een rechtszitting, deze rechtszitting was
  het bod - ding. Later ontstane plaatsen kenden deze belasting  niet.  Van
  der Linden  vermeldt  dat  in het jaar 1100 reeds geen bod-ding meer werd
  gehouden, Hoefnagel neemt aan dat dat reeds in 1063 het geval was. (B127)
  1063.  Esselijkerwoude,  Rijnsaterwoude en Leimuiden in ontginning. (B44)
  (O).
  Vroegst bekende vermelding Pijnacker en Delft 1063/1064.
  In 1064 gaf Koning Hendrik IV het Hollands graafschap met alles wat daar-
  bij behoorde, dus ook de abdij van Egmond aan de stoel te Utrecht. (B13).
  (K).
  Vroeger was de Rotte een riviertje dat vrij in de Maas stroomde; het werd
  vermoedelijk reeds in 1065 door een sluis te Krooswijk van de Maas  afge-
  sloten. (B110).
  De Grote kerk van Dordrecht eertijds gewijd aan Onze Lieve Vrouwe werd in
  opdracht van graaf Dirk V door Pieter de Groot in 1077 gebouwd. Pieter de
  Groot was de grootvader van Anna, een geestelijke maagd die in 1081 gebo-
  ren zou zijn en stierf in 1196 (115 jaar oud). (B165).
  Lijst van kerken, waarover de abdij van Egmond tussen 1083 en 1120 colla-
  tierecht liet gelden, waarin "Berkel.Oldscie." (B13) en (B132) en (B146).
  (K).
  "Ik spreek niet van den blaffert van circa 1083 (Oork., I, no 105), omdat
  de  namen Oldscie en Berkel van de kerken op een lateren tijd kunnen wij-
  zen".  (B03,  blz.  53).  Pastoor  Velthuyse schrijft echter in (B13) dat
  "Rodenrijs - Berkel niet veel later  dan  1050  als zelfstandige parochie
  van  de moederkerk (Overschie) is afgescheiden en "moeten wij tot het be-
  sluit komen,  dat  zich  in  de 2e helft van de 11e eeuw te Rodenrijs een
  ambacht en kerspel met kerk hebben bevonden." (B13) (K).
  Zoetermeer, oorspronkelijk op de Oostoever van het Zoetermeerse Meer ont-
  staan  in  het begin van de 11e eeuw is in de 12e eeuw tijdens de ontgin-
  ning van  de  gebieden  aan  de  zuidzijde  van het meer hiernaar overge-
  plaatst. (B01) (O).
  Graaf  Floris II bijgenaamd "De Vette" heerstte van 1091 tot 1122  vreed-
  zaam over  Holland.  In die tijd kwam in de lage landen - onbeschreven en
  in alle stilte -  een  wonder  tot  stand. Friezen, Hollanders en Zeeuwen
  versjouwden onmetelijke hoeveelheden modder en zand. Zij die  met  sloten
  graven land winnen, mogen dat als vrije mannen behouden, maar een 10e van
  de opbrengst is voor de graaf. Ook ontwierpen  zij  drainage-systemen  en
  verstevigden zij de zeewereingen. Hopelijk  zwaaien  wij  Floris  II  met
  recht alle lof toe voor de  dijkbouw,  inpolderingen  en  droogleggingen.
  (B117).
  Regering van graaf Floris de Vette. (1091-1122). (B118).
  De systematische ontsluiting van  de  wildernis in het graafschap Holland
  moet gedurende de 11e en 12e eeuw in volle gang  zijn  geweest.  Uitgifte
  van wildernis welke aan de ontginningen ten  grondslag hebben gelegen. De
  tijdgenoot placht deze handelingen aan te duiden als "cope". (B44) (O).
  Voor het begin der 12e eeuw was de "Botting" de grafelijke belasting, pas
  daarna kwam de "Bede". Bottingambachten  behoorden dan ook tot het oudste
  woongebied van Holland. (B34).
  1096-1099. Eerste kruistocht. (B143) (K).
  Toen de eerste  kruisvaarders  in  1099 Jeruzalem veroverden  troffen zij
  daar in de  nabijheid van het heilige graf bij de Onze  Lieve Vrouwenkerk
  een hospitaal  tevens  herberg,  gewijd  aan  Johannes  den  Dooper  aan.
  Godfried bracht het tot nieuwe bloei en paus  Paschalis II  nam het onder
  zijn bescherming. Raimond du  Puy  organiseerde het  als  een geestelijke
  ridderorde, om zieken te  verzorgen en voor het  Christendom te strijden.
  De  orde  van  de  Hospitaalridders droegen een rode  mantel  met een wit
  kruis. (B145) (K).
  Ca. 1100. De graven  in  Holland hadden vrij spel in hun gebied. Dat kwam
  omdat het aan de ene kant begrensd werd door de zee en aan de andere kant
  door grote meren en moerassen. (B96). (V).
  Met veel gronds kunnen wy vaststellen dat  het  (Bleiswijk)  zelfs  reeds
  voor of  in  den  jaare  1100  bekend was, daar omtrent dien tyd het slot
  Craanenburg  gebouwd  is;  doch hier van nader - wy blyven intusschen van
  den waaren ouderdom in het onzekere, even als van den naam des geenes die
  men voor stichter, (zo de  Heerlykheid kan gezegd worden een stichter ge-
  had te hebben,) zoude kunnen houden. (B12).
  Gosses  deelt  mede  dat  in Hazerswoude en Zoeterwoude de veencultuur al
  zeer vroeg begonnen moet zijn (voor het begin van de 12e eeuw). (B34) (V)
  
  1100-1200
  In het begin van de 12e eeuw is er sprake van Oostvoorne. (B165).
  Boeken waren zeer zeldzaam, in de 12e eeuw waren zij nog van perkament en
  met de hand geschreven, waarbij ter besparing  van  perkament  veelvuldig
  van afkortingen gebruik werd gemaakt. Tijdens  de kruistochten leerde men
  in Syrië de  vervaardiging  van  papier  uit  linnen  lompen en versleten
  henneptouw kennen. In Spanje kenden de Saracenen het reeds. (B145) (K).
  De  Beukelsdijk was een onderdeel van een 12e eeuwse dijk, deze werd aan-
  gelegd door de heren Bokel. (B49).
  In de Nederlandse gewesten bestond de ridderschap in de 12e eeuw  voorna-
  melijk  uit  ministerialen,  dienaren  van onvrije geboorte, die door hun
  heer tot hogere bestuursfuncties of tot de ruiterdienst bestemd  waren en
  daarvoor een dienstleen kregen. (B136).
  Tot rond 1100 was het voedsel van alle bewoners van ons land eentonig, de
  hoofdmoot betond uit graanpappen, daarnaast vis, eieren en vlees. Door de
  kruistochten leerde men ander, duur voedsel kennen. (B104).
  Na ca. 1100 werden de houten burchten vervangen door van  steen  gebouwde
  burchten. (B96).
  De Gantel die het water  uit  Delft afvoerde was lang en dreigde dicht te
  slibben. Dit probleem werd rond 1100 opgelost  door  het  graven  van  de
  Delf. Ter  hoogte  van  de  Kandelaar sloot de Delf aan op de veenstromen
  Leede en Schie. (B99).
  Vast staat dat er in Pijnacker al rond 1100 een  kerkje  heeft gestaan op
  de plaats van de latere scheve toren van Pijnacker. (B109) (K).
  De vervening van Holland nam ruwweg een aanvang in de 12e eeuw. (B34).
  In een oorkonde van 1101 "comes de Hollant" - graaf van Holland; pas  met
  het graafschap van Dirk V is het graafschap Holland een feit. (B107).
  Al  in  de  12e  eeuw water er schutterijen of gilden van schutters, wier
  taak het was de stad tegen onheil te beschermen. In de late  middeleeuwen
  werden er ook op het platteland schutterijen opgericht. (B103).
  De  Schie  ter hoogte van Ruiven heette oudtijds niet Schie maar Delf. De
  stad Delft, oudtijds Delf ontleent haar naam aan het water  waar  zij aan
  ligt. Een Delf is een door mensenhanden gegraven vaart. (In Zeeland  komt
  dit woord nog voor in den vorm van Dulve, d.i. sloot). In 1157  blijkt de
  Delf al gegraven te zijn en had er zich daar  ook  een  nederzetting  ge-
  vormd. In een register van 1105-1120 wordt de Delf echter ook al genoemd.
  In  1106  traden  Hollanders  als  kolonisten op in Duitsland. (Bremen?).
  (B44).
  Onder  Bleiswijk  stond in vroeger tijden aan de westzijde der  Oude Lede
  het riddermatig huis "Kranenburg", dat in 1106 gesticht was door Alewijn,
  burggraaf  of  tweeden  kastelein van Leiden. Het slot Kranenburg dat als
  een der oudste riddermatige huizen van den omtrek aan het geslacht Wasse-
  naar verviel, waarvan een tak de naam  Kranenburg  aannam.  (B29).  (Slot
  Kranenburg bevond zich volgens het 13e eeuwse kaartje van Beekman  ca.  1
  km ten oosten van  het  noordelijkste  punt  van  de  latere  Noordpolder
  Berkel) in Bleiswijk nabij het op de Rotte aansluitende watertje Leede.)
  Byzonderheden. Hier onder zouden wy, mogelyk kunnen betrekken, de  plaats
  alwaar het aloude slot  Craanenburg,  reeds  meermaale  genoemd,  gestaan
  heeft;  hetzelve  werd  gesticht door zekere Alewyn, tweede Castelein van
  Leiden, in den  jaare  1106, wiens afstammelingen het veele jaaren hebben
  bezeten, met 200 morgen lands,  daar  om- en aan gelegen, en uit welk ge-
  slacht het is overgegaan, aan dat van Wassenaar, waarvan Bartholomeus van
  Wassenaar getrouwd was, met  ... van  Bleiwsyk,  van welke afstammelingen
  een tak den naam Cranenburg  heeft  aangenomen; dan, dit slot heeft waar-
  schynelyk ten  tyde van de  Hoeksche  en Kabeljauwsche verdeeldheden, den
  storm  der  verwoestingen  moeten  ondergaan, en door de verveeningen zyn
  daarvan  geene  de  minste  overblyfsels meer te vinden, zo dat wy deezen
  aangaande onze leezers niet verder kunnen heenwyzen, dan gelyk gezegd is,
  slechts in aandenken te beschouwen,  de  plaats  alwaar  hetzelve gestaan
  heeft. (B12).
  Cranenburg  blijkt  evenwel  een voormalig adelijk Huis te Bleiswijk (een
  nabuurdorp van Zevenhuizen) a/d Rotte te zijn geweest dat  waarschijnlijk
  in de Hoekse en Kabeljouwse twisten is verwoest. In 1106 was dit slot van
  Bartholomeus van Wassenaar, die het hoofd van een nieuw geslacht werd  en
  de naam van dit adelijk Huis heeft aangenomen.
  Bij gebrek aan mans oir kwam het  later  door  huwlijk  van Elisabeth van
  Cranenburg Engelsdochter met Adriaen van der Houve in het  bezit  van dit
  huis Van der Houve, waarin het niet lang  bleef,  aangezien  hun  dochter
  Margaretha  het  door  haar  huwlijk met Huybert van der Meer Pieterszoon
  weer in diens geslacht bracht. Deze Huybert van der Meer werd in 1512  op
  de rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot
  edelman van het Heilige Roomse Rijk. Hij overleed in 1514 te Eijk-en-Dui-
  nen bij Den Haag. Dit geslacht werd ook wel  genoemd  Van  der  Meer  van
  Cranenburg en was ook in Leiden woonachtig. (B126) (HK).
  "Men dient te beseffen dat in de twaalfde eeuw niet  alleen  de  Maasmond
  zich veel verder  noordelijk  uitstrekte  dan  thans, zoodat Naaldwijk en
  Monster aan den rand van het vasteland lagen, maar bovendien verscheidene
  wateren nog in open verbinding met de zee stonden: De Schie, welks boven-
  loop, gelijk gezegd,  denkelijk door de Oude Lede en de Striklede gevormd
  werd.  Reeds  Beekman  heeft  geopperd,  dat het kromme deel van de Schie
  niets anders zou kunnen wezen dan de voortzetting van het eveneens  krom-
  me, dus natuurlijke watertje dat achtereenvolgens Striclede en Lede heet-
  te en  welks bovenloop nog in de Strikkade ten westen van Pijnacker en in
  de  Oude Lee (langs het dorp van dien naam en in den Akkersdijkschen pol-
  der) terug te vinden is." (B06) ( Gezien de ligging is het echter ook mo-
  gelijk dat de Oude Lede aansloot op de Hark bij Ketel die in de Maas uit-
  monde of de Kene bij Schipluiden die via de Sparte naar de Maas liep.  De
  meest natuurlijke loop is die via de Hark bij Ketel.  De  schrijver  I.H.
  Gosses (B04) is van mening dat dat onmogelijk  was omdat de kerk te Schie
  dan onmogelijk onder Vlaardingen zou kunnen vallen.) (K).
  In de twaalde en dertiende eeuw is de invoering van de baljuw functie een
  algemeen Westeuropees verschijnsel, een uiting van macht der  landsheren,
  die hun territoria in baljuwdistricten verdeelden, waar de baljuw als hun
  plaatsvervanger optreedt. (B26).  In  de  grafelijke baljuwschappen wordt
  een baljuw  direct  door de graaf benoemd. In de heerlijke baljuwschappen
  werden de baljuws door de lokale heer benoemd, maar alleen als de heer de
  hoge  heerlijkheid  over  dat  gebied bezat. (B26). De graven van Holland
  kenden  in  hun  land  reeds voor  de invoering van de baljuw functie een
  functionaris  die optad  als vertegenwoordiger van de graaf n.l. de burg-
  graaf. (B26).
  De burcht  in  Leiden  was  in  1108  in  handen van de Utrechtse leenman
  Adelwinus de Ledene, omstreeks 1125 trad diens familie in diens  geslacht
  in grafelijke dienst. (B70).
  Adelwinus de Ledene, getuige oorkonde 1108, had in 1108 meerderjarige zo-
  nen. (B152).
  1113. De aartsbisschop van Hamburg schenkt veengrond aan Hollandse  kolo-
  nisten ter ontginning. (B126) K).
  1118. De orde van de Tempeliers werd in dit  jaar  door een negental rid-
  ders, waaronder de Vlaming Godfried van St. Omaars, gesticht met het doel
  pelgrims op hun reis van de kust  naar  Jeruzalem  tegen Sacraceensche en
  andere vagebonden te beschermen. De opvolger van Boudewijn I  schonk  hen
  een woning nabij de Tempel van Salomo, vandaar hun naam. Zij droegen wit-
  te mantels met een rood kruis. (B145) (K).
  In 1121 plaatste Petronella, de weduwe van Floris II, haar kapelaan  Axe-
  linus in het klooster (van Egmond) en maakte hem abt om op deze wijze  o-
  ver de goederen van de abdij gemakkelijk te kunnen beschikken.  Axelinus,
  weinig op de hoogte van het kloosterleven verkwistte de inkomsten,  zodat
  de monnikken gebrek begonnen te lijden. Naar aanleiding van de  bouw  van
  een  nieuwe  abdijkerk  benoemde de gravin drie leken tot leiders van  de
  kerk, die op deze wijze de beschikking kregen over de goederen der  kerk,
  deze  roofden  en er  de bruidsschat hunner kinderen mee betaalden.  Toen
  dit alles verkeerd liep besloot Petronella op  aansporing  van   bisschop
  Andreas van Utrecht om een geschikt persoon uit het klooster van Gent  te
  zenden, die als abt orde op zaken zou stellen.  De  nieuwe  abt  Walterus
  kwam in 1130 en heeft in de  geestelijke  en  stoffelijke  positie van de
  abdij verbetering gebracht. (B125). (K).
  1124/1129 Onder abt Acselinus van Egmond geschreven St. Adelbertsboek of:
  "Liber  sancti  Adalberti":  "In Ruvene 16 libras. Juxta Delf 10 mansus 6
  libras.  In  Scipliede 20  libras. Ex parte Delf 9 mansus 9 libras. Juxta
  Scie duo mansus Adaloldi 9  unicias; item mansus Walteri 6 unicias et una
  fiertella 30 denarios." (B146) (K).
  De  Swet  van  Manthete scheidt het tiendgebied van Delft (Hof van Delft)
  van dat van Schieland;  (de grens loopt) naar de Lede (Oude Lede), van de
  Lede  naar de Striclede en van de Striclede naar het einde (het onbegaan-
  bare veen)". De toevoegingen () stammen uit de dertiende eeuw. Bron: Gra-
  venregister van 1125.  Een  Zwet is een grensscheiding gewoonlijk gevormd
  door een sloot, deze Zwet is/was niet de "Berkelse" Zwet. (V).
  In 1125  wordt al gesproken over het onbegaanbare veen in Berkel. Globaal
  kunnen we  stellen dat de vervening van Berkel en Rodenrijs heeft plaats-
  gevonden tussen de 13e en de tweede helft van de 19e eeuw. (B&R) (V).
  In 1128 erfde Christiaan, heer van Weena,  Beukelsdijk  en  Blommersdijk,
  tweede  zoon  van  heer  Alewijn,  burggraaf  van Leiden, de goederen van
  Berkel en Bleiswijk. (B29).
  In 1130 verzocht men aan abt Arnaud van de St. Pietersabdij van Gent  een
  monnik naar Egmond te zenden die de vervallen toestand  in  de abdij  kon
  herstellen. Walter, de proost van Harnes  in  Henegouwen werd tot abt van
  de abdij van Egmond benoemd op 7 september 1130, hij overleed 28-11-1161.
  (B148) (K).
  1133. Petronella van Saksen, weduwe van Floris  II  van Holland  stichtte
  het benedictinessenklooster te Rijnsburg, zonder enig verband  met Egmond
  of  medewerking van die abdij. De gravin liet zusters komen van  het Sak-
  sische klooster St"tterlingenburch. Bisschop Andreas van Kuyk  wijdde  de
  kerk op 15 september 1133 in. Het bleef evenals Egmond voorlopig  een ei-
  genklooster  van  de graaf;  maar  in 1140 droeg graaf Dirk VI  Egmond en
  Rijnsburg over in eigendom van de heilige stoel. Beide genoten  sindsdien
  de bescherming van de paus. Later werden slechts hoogadelijke  nonnen  in
  het convent opgenomen. (B125). (K).
  De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige  oorlog  ver-
  dwenen. (B165).
  Ten  gevolge  van  een  onenigheid  met  gravin Petronella, de weduwe van
  Floris  II  de Vette (overleden in 1122), verloor de Egmondse abdij in de
  12e eeuw zijn betekenis  als mausoleum van het grafelijk huis. Petronella
  stichtte n.l. op een  grafelijk goed te Rijnsburg een Benadictijner abdij
  voor adelijke vrouwen in 1133. (B118). (K).
  De  windmolen  (standerd molen) in Engeland ca. 1137, Frankrijk ca. 1180,
  in Belgie 1183 en in Merum limburg in 1240. De oudst  bekende  afbeelding
  van een standerd molen is van 1275. Het  waren  vooral  de  Cisterciënzer
  monniken die zich bezig  hielden  met  molenbouw en nieuwe ontwikkelingen
  daaraan. In het begin allemaal korenmolens. (K) (M).
  In 1139 kwam ook graaf Dirk VI van Holland  (de zoon van Floris II)  naar
  Jeruzalem. Hij werd op zijn  tocht  vergezeld  door  zijn gemalin Sophia,
  dochter van Otto, paltsgraaf aan den Rijn. Dirk VI zag zijn ijver beloond
  door den paus, die op zijn  verzoek  de  abdijen  van Egmond en Rijnsburg
  vrij verklaarde  van  de  Utrechtse kerk en  deze  rechtstreeks onder den
  Heilige Stoel stelde. (B145) (K).
  Vroegst  bekende  vermelding  Papswoude  (Popswoude/Poptestwolde) < 1144.
  (B04).
  Papsou  =  Popteswolde  = woud  van Popta ) Popta is een Friese mansnaam,
  waarschijnlijk  de ontginner van deze streek in de 11e eeuw). Latere naam
  Abtswoude. (B39) (O).
  Vroegst bekende vermelding Akkersdijk (Vrouwenrecht) 1144.
  Omstreeks  1140  schonk  gravin  Petronella  aan  het door haar gestichte
  klooster Rijnsburg een aantal hoeven. Dit gebied heette voortaan Vrouwen-
  recht, naar de abdis (vrouwe) van Rijnsburg. (B39). (K).
  In  Jeruzalem  werd door een Duitscher en zijn vrouw een huis tot verple-
  ging van Duitsche pelgrims gesticht, daarnaast bouwde hij daar een kapel.
  Er  vormde  zich  een  congregatie  van  ziekenbroeders,  die  door  paus
  Coelestinus II  in 1143 erkend en onder het toezicht van den grootmeester
  van de Hospitaalridders gesteld. Uit deze broederschap ontstond tegen het
  einde van de  12e  eeuw de Duitse Orde, wier ridders in witte mantels met
  een zwart kruis gekleed gingen. (B145) (K).
  Al zeer vroeg, voor 1144 was het klooster te Rijnsburg begiftigd met o.a.
  6 hoeven  gelegen  aan  de  Lede, die later een gedeelte van Vrouwenrecht
  zouden gaan vormrn. [Op een  kaartje  van  ca. 1400 ligt dit gedeelte van
  Vrouwenrecht tussen de Oude Lede, de Akkerdijkseweg en de Schie in]. (K).
  1147-1149. Tweede kruistocht. (B143) (K).
  De ontginning van Zegwaard begon omstreeks 1150. (B01) (O).
  Midden 12e eeuw, t.g.v. overstromingen werd het gebied ten zuiden en  ten
  westen van de lijn Loosduinen-Rijswijk-Maasland bedekt onder een kleilaag
  van  max.  1 1/2  m  dikte.  Gespaard  bleven  slechts de duingronden bij
  Monster  en Naaldwijk. Door de overstromingen werden bestaande woonplaat-
  sen en landbouwgronden verwoest. (B135).
  In het midden van de 12e eeuw  werd  het  gebied  aan  weerszijden van de
  Schie-Delf geteisterd door grote overstromingen. (B99).
  Niermeyer (B06) spreekt over 1150 als jaar dat de Oude Maasdijk (zeedijk)
  klaar was. De dijk kwam tot stand in het midden van de  12e  eeuw.  (1150
  voltooid). (B06).
  Reeds veel vroeger had de abdij (Abdij van Egmond)  over  de  tienden  in
  Rodenrise beschikt, omstreeks 1161  ((Oork, I, no 140).  (B03, blz. 52.).
  Het ambacht van Roderise wordt genoemd tusschen 1130-1162 (Oork. I, 140),
  Daniel van Rodenrise wordt vermeld  in  1156  en 1168 (Oork. I, 133, 147)
  (B03) (K).
  Abt Wouter van Egmond (1130-1161) schenkt aan het  ziekenhuis  te  Egmond
  inkomsten uit landerijen o.a. tienden uit Rodenrise. (B13). (K).
  Ad uses serviencium  et hospitum et reliquias fratum insuper  et  deciman
  in Roderinse. (Goederenlijst onder abt Walter/Wouter 1130-1161). (B146).,
  (K).
  De Vlaamse graaf Dirk van den Elzas in 1164 voor de 4e maal naar het Hei-
  lige  land  getrokken kwam in dat jaar in Jeruzalem aan. Dirk keerde naar
  Vlaanderen terug en stierf daar in januari 1168. Hij werd opgevolgd  door
  zijn zoon Philips van den Elzas. Graaf Floris III van Holland had  van de
  afwezigheid van Dirk gebruik  willen  maken,  om de  leenheerschappij van
  Vlaanderen over Zeeland af te schudden, maar hij was  tweemaal  verslagen
  en ten slotte gevangen genomen. Na Philip's troonsbestijging  (1168) kwam
  Floris vrij en zag van verdere aanvallen op Vlaanderen af. (B145) (K).
  In 1184 maakte  hij  zelf (Floris III van Holland) een pelgrimstocht naar
  Jeruzalem. Zijn moeder Sophie, was er reeds tweemaal heengetogen, o.a. in
  1173 met zijn broeder, graaf Otto van Bentheim en vergezeld door IJsbrand
  van Haarlem. Zij overleed op de 3e reis in 1176 te Jeruzalem en  werd be-
  graven in het hospitaal van de Duitse pelgrims. (B145) (K).
  De Maasdijk werd verbeterd en voltooid omstreeks 1170-1180. (B137).
  Rond 1175 werd de Hargpolder bij Ketel bedijkt met financiële hulp van de
  abdij  van  Egmond.  "Herstel  dijk Malink (onder Ketel) en aanleg nieuwe
  dijk in Hargan (Ketel)". (B22). (K).
  De  baljuw  functie is omstreeks 1178 in het gebied van de graaf van Hol-
  land geintroduceerd. In 1213 trad er een baljuw van Holland op en in 1230
  bestond het grote baljuwschap Holland. Later in de dertiende eeuw volgden
  afsplitsingen en vormden er zich kleinere eenheden, die kunnen worden om-
  schreven als regionale baljuwschappen (zoals Rijnland, Delfland en Schie-
  land). (B26).
  Rond  1179 werd het eigenkerkrecht vervangen door het patronaatsrecht. De
  adelijke  heren werden i.p.v. eigenaar beschermheer (patroon). Het patro-
  naatsrecht viel geheel onder de kerkelijke rechtsmacht. (B13) (K).
  1189-1192. Derde kruistocht. (B143) (K).
  1188/1189. Tot hen die het kruis opnamen behoorden: graaf Floris III  van
  Holland, zijn zoon Willem en zijn broeder Otto I graaf van Bentheim, heer
  Hendrik van Kuik, graaf Otto I van Gelre, de hertogen van Limburg en Bra-
  bant, de graven van Loon enz. (B145) (K).
  Na aankomst in Antiochië,  breekt  een  ernstige  epidemie  uit.  Tot  de
  slachtoffers behoort graaf Floris III van Holland, die op 1 augustus 1190
  overlijdt. Hij wordt begraven in de kerk van St. Pieter,  nabij  het graf
  van den keizer. Zijn jeugdige zoon Willem, die hem  tegen zij zin gevolgd
  was, vergezelt Frederik van Zwaben naar Arce.  In  oktober 1190 komen zij
  daar aan. In  1191,  na  de  bezetting  van  Acre op 12 juli 1191, keerde
  Willem  van  Holland naar zijn land terug, waar zijn broeder Dirk VII aan
  de  regering  was  gekomen. Deze  gaf hem een  gedeelte van Friesland ten
  Oosten van het Vlie, dat in de 12e eeuw door den keizer aan de graven van
  Holland was geschonken. Toen  Dirk  stierf  en door zijn dochter Ada werd
  opgevolgd, betwiste Willem  zijn  nicht  de  opvolging.  Met  behulp  van
  Kennemers en boerenvolk uit den omtrek van Leiden, slaagde hij  er in het
  graafschap Holland te overmeesteren. (B145)(K).
  Oorkonde  No. 540 van 1198. Graaf Diederik VII van Holland schenkt aan de
  vicarie ter nagedachtenis van zijn vader Floris en gesticht aan de noord-
  zijde  van  de  kerk  van St. Marie te Utrecht, enig land aan de Poel bij
  Naaldwijk. (Naltwic). (B94) (K).
  De Heerlijkheid Rhoon ontstond in 1199. (B01).
  Het stichtingsjaar van Rhoon, 1199 (B106).
  
  1200-1300
  In de middeleeuwen viel vanaf ca. 1200 de Hollandse bevolking  uiteen  in
  twee groepen n.l.: 1) huislieden, te weten vrije en  onvrije  personen en
  2) welgeborenen. (B26).  Voor  beide  groepen bestond  er een rechtskring
  resp.:  schout en lage vierschaar en baljuw en hoge  vierschaar (welgebo-
  ren mannen) (B26).
  Het  stadje  Schoonhoven  is ontstaan rond de burcht die Jan van Lede aan
  het begin van de 13e eeuw hier liet bouwen. (B165).
  De  kerk  van  Haastrecht  heeft een  vroeggotisch (13e eeuws) onderstuk.
  (B165).
  De toren van de kerk van Noordwijkerhout is van oorsprong  13e  eeuws  en
  werd in de 14e eeuw verhoogd. (B165).
  De grote Gotische kruiskerk van Noordwijk-Binnen met toren uit de 13e
  eeuw deelt de Voorstraat als het ware in tweeën. (B165).
  1200.  Aan  het  eind van de Schie in de latere polder  Schieveen lag een
  tweede Hof te Schie, waartoe o.a. het ambacht Rodenrijs behoorde. Het am-
  bacht waar graaf  Dirk  II reeds een hof bezat grensde aan de Schie, Oude
  Lede, Stricklede en ten oosten aan de landscheiding. Dit hof bestond  uit
  13 hoeven en 360 ha grond. (B37).
  Het  in  de  13e,  14e en 15e eeuw 't Rintveen geheten deel van de polder
  Ackersdijk bezuiden de Oude Leede, behalve 3 morgen in de noordoost  hoek
  en behalve de Zwetkade. (B64).
  Nieuw-Lekkerland komt reeds in de 13e eeuw voor als kerkdorp  "Leckelant"
  (B113) (K).
  Rond de 13e eeuw was de gemiddelde leeftijd van de mens 35 jaar. (B93).
  De Hofstad  De Tempel moet ergens in het begin van de 13e eeuw zijn  ont-
  staan. (B99).
  Het  woord  "Hofstad" vonden we in de 13e en 14 eeuw  in:  Leiden (1223),
  Schie (1268), Monster (1281), 's Gravenzande  (1281), Schipluiden (1295),
  Barendrecht (1320), Rijswijk (1330), Oegstgeest (1355), Rodenrijs (1393).
  (B106).
  In de 13e eeuw werden ook rechtsgebieden uitgegeven die kleiner waren dan
  de baljuwschappen  maar  ook  hoge heerlijkheden vormden. De uitgifte van
  deze  kleine  hoge  heerlijkheden aan lokale heren paste in de grafelijke
  politiek om de ontginning te stimuleren van kleine woeste gebieden. In de
  13e en 14e  eeuw  onstaat  er maar af en toe een nieuw lokaal baljuwschap
  een tweede generatie  lokale  baljuwschappen ontstaat in en omstreeks het
  eerste kwart van de 15e eeuw. (B26) (O).
  Van  Hazerswoude,  Zoeterwoude,  Rijnzaterswoude en Esselijkerwoude wordt
  vermeld, dat ze in de 13e eeuw al  veen  hadden.  (Van  den  Bergh,  64).
  (Veenderij  terminilogie,  H.  Crompvoets,  1981). In de Rijnlandse veen-
  streek ligt op enkele plaatsen  een  oudere verkaveling onder de huidige,
  jongere (die van de dertiende eeuw dateert). (B25) (V),
  Nootdorp is een ontginningsdorp, vermoedelijk in de  13e  eeuw  ontstaan.
  (B01) (O).
  Het dorp  De Lier, voor het eerst vermeld in 1201 is ontstaan aan het ri-
  viertje De Lee. (B01).
  1202-1204. Vierde kruistocht. (B143) (K).
  In 1202 is het hoogheemraadschap Rijnland ontstaan. (B25).
  In 1203 in er al sprake van een Tempelveld, omgeving Dordrecht. (B46).
  Willem I heeft na 1203 (tijdens zijn leven) Friese  kolonisten in Holland
  gehaald, voor ontginning en voor dijkbouw, onder het  patronaat  van  hun
  heilige, St. Odulf (de patroon van het bekende Staverse klooster  en  van
  de hele Friese Zuidhoek). (B25) (K) (O).
  De omzetting van het oude  ambt  van  castellanus, in een leen, burggraaf
  van Leiden, vermoedelijk ca. 1204. (B152).
  Oorkonde No. 569 van 1204-1209 of 1216-1225. Vermelding  van  Suythollant
  (Zuythollant). (B94).
  In 1211 schonk de graaf belangrijke vrijheden aan de lieden van de  abdij
  in Popswoude. (B148) (K).
  1212. Kinderkruistocht. (B143) (K).
  Vroegst bekende vermelding Vrijenban 1212. (B04).
  Vrijenban,  het  poldergebied  waartoe Delfgauw behoorde werd in de jaren
  1212-1214 al genoemd. (B17).